Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-05
ECLI:NL:RBDHA:2025:7551
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,637 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/5318
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 februari 2025 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. T. Ertekin)
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: J. Singh)
en
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Inleiding
Eiseres heeft op 1 mei 2022 een aanvraag om een bijstandsuitkering ingediend.
Met het besluit van 23 juni 2022 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eiseres afgewezen.
Met het besluit van 30 mei 2023 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft beroep op 5 februari 2025 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: [naam] (de dochter van eiseres), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
herroept het primaire besluit;
bepaalt dat aan eiseres met ingang van 1 mei 2022 bijstand wordt toegekend naar de norm voor een alleenstaande;
bepaalt dat het college het door eiseres betaalde griffierecht tot een bedrag van € 50,- vergoedt;
veroordeelt het college in de proceskosten tot een bedrage van € 3.108,-;
veroordeelt het college tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € € 571,43;
veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 428,57.
Overwegingen
1. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over haar woon- en leefsituatie waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
2. Eiseres heeft aangevoerd dat zij volledige openheid van zaken heeft gegeven over haar feitelijke woon- en leefsituatie. Deze beroepsgrond slaagt. Daartoe is het volgende van belang.
3. De te beoordelen periode loopt van 1 mei 2022 tot en met 23 juni 2023.
3.1.
Ter zitting is vast komen staan dat eiseres alle gevraagde informatie aan het college heeft verstrekt. Ook heeft zij medewerking verleend aan het huisbezoek op 15 juni 2022.
3.2.
Volgens vaste rechtspraak is het aan het college om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Mochten de verklaringen van eiseres onvoldoende worden geacht om haar woon- en leefsituatie te kunnen vaststellen, dan hadden de sociaal rechercheurs hierop moeten doorvragen of had het college nader onderzoek moeten doen. Dit is niet gebeurd.
3.3.
Nu eiseres de gevraagde inlichtingen heeft verstrekt kan dit niet leiden tot een afwijzing van de aanvraag wegens schending van de in artikel 17, eerste lid, van de Pw neergelegde inlichtingenverplichting.
3.4.
Gelet hierop is het beroep gegrond en kan het bestreden besluit niet in stand blijven.
3.5.
Eiseres heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Eiseres heeft op 2 augustus 2022 bezwaar gemaakt tegen het afwijzingsbesluit. Gelet op de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn met 7 maanden overschreden. Uitgaande van een vergoeding van € 500,- per half jaar komt de rechtbank tot een vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 1.000,-. De schadevergoeding komt voor € 571,43 toe aan het college vanwege een overschrijding van 4 maanden in de bezwaarfase en voor € 428,57 aan de Staat vanwege een overschrijding van 3 maanden in de beroepsfase.
Conclusie
4. Het beroep is gegrond. Het college heeft op zitting verklaard dat er geen nader onderzoek kan worden gedaan naar de woon- en leefsituatie van eiseres in de te beoordelen periode. De rechtbank zal daarom zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat aan eiseres met ingang van 1 mei 2022 een bijstandsuitkering wordt toegekend naar norm van een alleenstaande.
5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bestaat er aanleiding voor het college om het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden. Ook veroordeelt de rechtbank het college in de proceskosten van eiseres. Deze vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 3.108,- (voor het indienen van een bezwaar- en beroepschrift elk 1 punt, voor het verschijnen op de hoorzitting en zitting elk 1 punt, bij een zaak van gemiddeld gewicht en een waarde per punt van € 647,- , respectievelijk € 904,-).
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2025 door mr. M. van Paridon, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 10 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:492.