Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-14
ECLI:NL:RBDHA:2025:7480
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
842 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/20458
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 april 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , verzoekster
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. C.E. van Diepen),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).
Procesverloop
Bij besluit van 14 november 2024 heeft de minister de aanvraag van verzoekster om toekenning van een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ afgewezen.
Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het verzoek zou op 10 april 2025 op zitting worden behandeld. Echter hebben partijen de voorzieningenrechter op voorhand toestemming gegeven om op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de zaak buiten zitting af te doen. De rechtbank heeft daarom het onderzoek op 10 april 2025 gesloten.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan – onder meer – wanneer voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. De minister heeft in een brief van 9 april 2025 laten weten dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening.
3. Nu tussen partijen niet langer in geschil is dat van uitzetting van verzoekster in deze fase behoort te worden afgezien, wijst de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening toe en verbiedt de voorzieningenrechter de minister om verzoekster uit te zetten tot vier weken nadat de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt.
4. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en een wegingsfactor 1).
Dictum
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- schorst het primaire besluit en verbiedt de minister verzoekster uit Nederland te verwijderen tot vier weken nadat de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van
€ 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M.A.F.C. Lienaerts, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.