Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-24
ECLI:NL:RBDHA:2025:7165
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,346 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.16713
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. S.L. Sarin),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en het verzoek om schadevergoeding. Deze maatregel is opgelegd op 12 februari 2025.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 5 maart 2025.
De minister heeft een voortgangsrapportage en een vertrekgesprek van 24 maart 2025 overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 17 april 2025 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.
Overwegingen
Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
1.1.
Uit de uitspraak van 5 maart 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (27 februari 2025) rechtmatig is.
Weegt het belang van eiser zwaarder dan het belang van de minister?
2. Eiser heeft op 27 maart 2025 beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij betoogt dat zijn belang om de behandeling van de voorlopige voorziening in vrijheid af te wachten zwaarder weegt dan het belang van de minister om de maatregel van bewaring te handhaven.
2.1.
In de afwijzende asielbeschikking van 21 maart 2025 heeft de minister de maatregel van bewaring verlengd op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000. Dit betreft een voortduring van de bewaring op dezelfde wettelijke grondslag. Voor zover eiser heeft beoogd te betogen dat de minister deze voortduring onvoldoende heeft gemotiveerd is de rechtbank van oordeel dat dit betoog niet slaagt. De minister stelt dat de verlenging noodzakelijk is vanwege onderzoek naar eisers identiteit en nationaliteit, aangezien eiser geen enkel document heeft overgelegd om dit vast te stellen. Ten behoeve van het vertrekproces zal daarom verder onderzoek moeten worden gedaan om een vervangend reisdocument voor eiser te verkrijgen. De rechtbank is van oordeel dat de verlenging voldoende is gemotiveerd en acht daarbij ook van belang dat uit het laatste vertrekgesprek blijkt dat eiser niet meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit. De rechtbank stelt verder vast dat eiser geen omstandigheden heeft aangevoerd waarom de maatregel niet kan voortduren of waarom het onttrekkingsrisico niet meer aanwezig is. De enkele stelling van eiser dat zijn belang zwaarder weegt dan dat van de minister heeft hij niet onderbouwd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het belang van de minister om de maatregel te handhaven in dit geval zwaarder weegt dan het belang van eiser om de behandeling van de voorlopige voorziening in vrijheid af te wachten. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat de minister de rechtbank heeft verzocht om zo snel mogelijk de voorlopige voorziening met voorrang op zitting te behandelen zodat de maatregel van bewaring niet onnodig lang voortduurt. Het verzoek om een voorlopige voorziening en het beroep zullen op 29 april 2025 worden behandeld. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
3. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgrond, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 5 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3868.
Op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
Volgens paragraaf A5/6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.