Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-23
ECLI:NL:RBDHA:2025:7085
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,742 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18832
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. J.W.F. Menick),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. L.O. Augustinus).
Procesverloop
Verzoeker heeft op 23 april 2025 bezwaar gemaakt tegen zijn feitelijke uitzetting. Hij heeft verder op diezelfde dag de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen om zijn uitzetting te voorkomen, totdat op het bezwaar is beslist.
De voorzieningenrechter heeft eveneens op 23 april 2025 een schriftelijke reactie van verweerder ontvangen.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.
Beoordeling
1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De mededeling aan verzoeker over de voorgenomen overdracht is aan te merken als een feitelijke handeling jegens een vreemdeling als zodanig. Een dergelijke handeling is op grond van artikel 72, derde lid, van de Vw gelijkgesteld met een beschikking. Hiertegen is bezwaar en vervolgens beroep mogelijk. De voorzieningenrechter is dan ook bevoegd om van dit verzoek kennis te nemen.
2. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter ook in geval van een niet-kennelijke afdoening uitspraak doen zonder een zitting te houden wanneer onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. Op grond van het derde lid kan ook van een zitting worden afgezien als de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is. Uit de door verzoeker overgelegde stukken volgt dat verweerder voornemens is om verzoeker op 24 april om 11:45 uur uit te zetten naar Algiers, Algerije met vluchtnummer KL 1603/AZ 800. Aangezien de voorgenomen overdracht van verzoeker op zeer korte termijn gepland staat, blijft in dit geval een zitting achterwege. Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat het verzoek kennelijk ongegrond is.
3. Verzoeker stelt dat de voorgenomen uitzetting op 24 april 2025 prematuur en onrechtmatig is omdat een hoger beroep en verzoek om een voorlopige voorziening open staan bij de Afdeling tegen de uitspraak over zijn laatste asielaanvraag. Hij meent dat hij de beslissing op het hoger beroep in Nederland mag afwachten. Verder stelt verzoeker dat sprake is van nieuwe context en bewijsmiddelen die maken dat de eerdere ongeloofwaardigheidsbeoordeling over zijn seksuele geaardheid herzien kan worden. Verzoeker meent dat de feitelijke uitzetting in strijd is met artikel 3:2, 3:4 en 7:12 van de Awb.
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers laatste opvolgende asielaanvraag bij beschikking van 15 februari 2025 niet-ontvankelijk is verklaard. Bij uitspraak van 26 maart 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Verzoeker heeft geen hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Het besluit van 15 februari 2025 dat strekt tot uitzetting van verzoeker naar Algerije staat daarmee in rechte vast. Voor zover het verzoek om een voorlopige voorziening is bedoeld om een hoger beroepsprocedure en verzoek om een voorlopige voorziening bij de Afdeling af te wachten, geldt dat slechts gebleken is van hoger beroep over de maatregel van bewaring. Hieraan ontleent verzoeker geen rechtmatig verblijf. In zoverre is de feitelijke uitzetting ook niet prematuur.
5. De mogelijkheid tot het maken van bezwaar tegen de feitelijke uitzetting is beperkt tot een bezwaar over de wijze waarop verweerder van de bevoegdheid tot uitzetting gebruikt maakt. Daarnaast is het maken van een dergelijk bezwaar bij uitzondering mogelijk indien de situatie ten tijde van de feitelijke uitzetting dusdanig verschilt van die ten tijde van het besluit waaruit de bevoegdheid tot uitzetting voortvloeit dat niet langer onverkort van de rechtmatigheid van de feitelijke uitzetting kan worden uitgegaan. Het ligt daarbij op de weg van de vreemdeling om nieuwe feiten en omstandigheden aan te voeren ten opzichte van wat hij tegen het besluit waaruit de bevoegdheid tot uitzetting voortvloeit al heeft aangevoerd of had kunnen aanvoeren. Wordt daaraan niet voldaan, of is het aangevoerde niet relevant voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de uitzetting, kan dit niet tot een geslaagd rechtsmiddel tegen de voorgenomen feitelijke uitzetting leiden. Dit is slechts anders als zich een geval voordoet zoals bedoeld in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar tegen Nederland. Voor zover verzoeker stelt dat sprake is van 'nieuwe context en bewijsmiddelen', is dat door hem op geen enkele wijze geconcretiseerd en onderbouwd. Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat sprake is van gewijzigde omstandigheden, laat staan dat zich nu een situatie voordoet als bedoeld in het arrest Bahaddar. Het voorgaande betekent dat niet met succes kan worden opgekomen tegen de feitelijke uitzetting.
6. Gelet op het voorgaande dient het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening te worden afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier. uitgesproken op 23 april 2025 en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Het dictum is telefonisch meegedeeld aan de gemachtigde van verweerder op 23 april 2025 om 20:46 uur en aan de gemachtigde van verzoeker op 23 april 2025 om 20:49 uur.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Vreemdelingenwet 2000.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RBDHA:2025:5324.
Met kenmerk 202501379/1/V3 en BRS25.000332.
Dit volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraken van 26 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ8704, en 14 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:837.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3405.
ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494.