Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-08
ECLI:NL:RBDHA:2025:7006
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,165 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.14079
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en
de Minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: H. Toonders).
Procesverloop
De minister heeft op 21 november 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft de rechtmatigheid van deze maatregel van bewaring al eerder getoetst. Uit de uitspraak van deze zittingsplaats van 17 januari 2025 (in de zaak NL25.320) volgt dat de bewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek op 10 januari 2025 rechtmatig was.
De minister heeft de rechtbank door middel van een kennisgeving van de voortduring van de maatregel in kennis gesteld en een voortgangsrapportage overgelegd.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Eiser heeft op de kennisgeving een reactie gegeven. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 2 april 2025 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting is naar Algerije en dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser.
2. De rechtbank volgt eiser hierin niet en oordeelt als volgt.
Zicht op uitzetting en het voortvarendheidsvereiste
3. In de uitspraak van 6 mei 2024 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2024:1892), rechtsoverweging 7 en 7.1, is geoordeeld dat het zicht op uitzetting naar Algerije in beginsel aanwezig is. In het geval van eiser blijkt uit de voortgangsgegevens dat het onderzoek bij de Algerijnse autoriteiten loopt. De minister rappelleert regelmatig bij deze autoriteiten in verband met de afgifte van een laissez passer (lp) ten behoeve van eisers uitzetting, laatstelijk op 27 februari 2025. Dat dit onderzoek lang duurt is op zichzelf niet doorslaggevend omdat de Algerijnse autoriteiten in ieder geval niet te kennen hebben gegeven geen lp te zullen verstrekken ten behoeve van eisers uitzetting. Wat betreft eisers beroepsgrond over het rappelleren op dossierniveau overweegt de rechtbank dat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat de minister bij de huidige stand van zaken op dossierniveau had moeten rappelleren. Daarnaast heeft de minister op 17 januari 2025, 17 februari 2025 en 17 maart 2025 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Op eiser rust de plicht rust om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Niet gebleken is dat eiser hieraan in voldoende mate invulling heeft gegeven. In hetgeen door eiser is aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen grond voor het oordeel dat de minister in redelijkheid was gehouden meer of andere uitzettingshandelingen te verrichten dan tijdens de ter toetsing staande periode is gebeurd. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank het zicht op de uitzetting van eiser naar Algerije vooralsnog aanwezig en werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. De beroepsgronden slagen daarom niet.
Ambtshalve toetsing
4. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
08 april 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.