Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-10
ECLI:NL:RBDHA:2025:6995
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,797 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/2243
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. drs. C.J. Dreef),
en
het college van burgemeester en wethouders van [plaats] , verweerder
(gemachtigde: A.C. Visser).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder van 8 februari 2024. Met dit besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 24 oktober 2023 niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend.
1.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 29 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Verweerder heeft eiser op 24 oktober 2023 een bestuurlijke boete opgelegd van € 10.000,-, omdat eiser de woning aan [adres] in [plaats] zou verhuren aan derden zonder de benodigde huisvestingsvergunning. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Deze zaak gaat over de vraag of verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend door eiser.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend. Deze is namelijk binnen zes weken na datum van de beschikking, op 28 november 2023, per post ingediend. Eiser kan zich op geen enkele manier verweren tegen de stelling dat het bezwaarschrift niet door verweerder per post is ontvangen. Dit terwijl verweerder in de communicatie de ene na de andere fout maakt, aldus eiser. Zo heeft hij in een andere procedure ten onrechte een aanmaning ontvangen en wordt door verweerder niet altijd gereageerd op e-mails van de gemachtigde.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het bezwaar te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. Verweerder heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond.
4.1.
Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de voor bezwaar vatbare beschikking. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Wanneer het bezwaarschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend. Die voorwaarden zijn dat het bezwaarschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij het bestuursorgaan is ontvangen.
4.2.
Verweerder betwist de tijdige ontvangst van het bezwaarschrift van 28 november 2023. Het is dan aan eiser om aannemelijk te maken dat hij dit bezwaarschrift tijdig heeft verzonden of om een geldige reden te geven waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend. Eiser kan bijvoorbeeld de verzending aannemelijk maken door het stuk aangetekend te verzenden en een verzendbewijs te overleggen. Het bezwaarschrift van 28 november 2023 is echter niet aangetekend verzonden. Verweerder verwijst terecht ter vergelijking naar de uitspraak van de rechtbank Limburg van18 april 2023. Van een professioneel gemachtigde mag worden verwacht dat in gevallen waarin het belangrijk is dat een poststuk tijdig wordt verzonden/ontvangen, gezorgd wordt voor aangetekende verzending. Het risico van niet aangetekende verzending ligt bij de verzender. Nu het bezwaarschrift niet aangetekend is verzonden, is het aan eiser om op een andere manier toch de verzending daarvan aannemelijk te maken. Dat heeft eiser niet gedaan. Weliswaar stelt eiser dat verweerder verschillende fouten heeft gemaakt in de communicatie met eiser en zijn gemachtigde. Dit doet er echter niet aan af dat de bewijslast in dit geval bij eiser ligt. Het is niet aan verweerder om aannemelijk te maken dat hij het bezwaarschrift niet heeft ontvangen. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiser verweerder op 29 december 2023 een rappel email heeft gestuurd, waarin hij opmerkt dat verweerder niet heeft gereageerd op het bezwaarschrift van 28 november 2023 en waarin hij verzoekt om het stellen van een termijn waarbinnen het op nader aan te voeren gronden gemaakte bezwaar moet worden aangevuld. Dat is buiten de bezwaartermijn die liep tot en met 5 december 2023. Ook het pas na afloop van de bezwaartermijn rappelleren door eiser komt voor zijn rekening. Zeker bij een niet aangetekend verzonden bezwaarschrift is het aan eiser om voor het einde van de bezwaartermijn bij verweerder na te gaan of dit is ontvangen.
4.3.
De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is een wettelijke termijn waarvan de duur niet kan worden gewijzigd. Verweerder mag het bezwaar, als geen sprake is van verschoonbare omstandigheden, niet-ontvankelijk verklaren. Van dergelijke omstandigheden is niet gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Conclusie
5. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
Artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.
Uitspraak van de rechtbank Limburg van 18 april 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:2578.