Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-24
ECLI:NL:RBDHA:2025:6955
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,664 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.17294
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. H. Martens),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. K. Kanters).
Procesverloop
Bij besluit van 8 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2003 en de Poolse nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
- 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist de zware gronden 3a en 3b. Eiser was zich er niet van bewust dat hij Nederland diende te verlaten en dat hij daarna niet opnieuw Nederland mocht inreizen. Daarnaast was hem niet duidelijk dat hij zich opnieuw had moeten melden bij de vreemdelingendienst.
4. De rechtbank is van oordeel dat de onbetwiste zware grond 3c en onbetwiste lichte gronden 4c en 4d feitelijk juist zijn. Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat en waarom deze gronden zich feitelijk voordoen. Zware grond 3c is feitelijk juist, nu aan eiser op 9 augustus 2024 een besluit is uitgereikt waarin zijn EU verblijfsrecht is ingetrokken, hem is opgedragen Nederland te verlaten en hij daaraan binnen de gegeven termijn van een maand geen gevolg heeft gegeven. In zijn gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser verklaard naar Duitsland te zijn vertrokken na het besluit van 9 augustus 2024, maar enkele dagen later naar Nederland te zijn teruggekeerd. De feitelijke juistheid van de zware grond 3c staat daarom vast. Ook de onbetwiste lichte gronden 4c en 4d zijn feitelijk juist. Eiser heeft namelijk verklaard geen verblijfsadres te hebben en op straat te leven. Ook staat eiser niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen. Eiser heeft verder verklaard te beschikken over € 11,20 en in zijn levensonderhoud te voorzien door lege flessen en blikken te verzamelen. De zware grond 3c en de lichte gronden 4c en 4d zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Wat eiser voor het overige heeft aangevoerd ten aanzien van de zware gronden 3a en 3b behoeft geen bespreking, omdat dit niet kan leiden tot de conclusie dat de bewaring onrechtmatig is.
5. Ook is overigens niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 24 april 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
Pagina 3 van het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de maatregel van 8 april 2025 (M110).
Pagina 4 van het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de maatregel van 8 april 2025 (M110).
Pagina 4 van het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de maatregel van 8 april 2025 (M110).
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.17294
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. H. Martens),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. K. Kanters).
Procesverloop
Bij besluit van 8 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2003 en de Poolse nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
- 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist de zware gronden 3a en 3b. Eiser was zich er niet van bewust dat hij Nederland diende te verlaten en dat hij daarna niet opnieuw Nederland mocht inreizen. Daarnaast was hem niet duidelijk dat hij zich opnieuw had moeten melden bij de vreemdelingendienst.
4. De rechtbank is van oordeel dat de onbetwiste zware grond 3c en onbetwiste lichte gronden 4c en 4d feitelijk juist zijn. Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat en waarom deze gronden zich feitelijk voordoen. Zware grond 3c is feitelijk juist, nu aan eiser op 9 augustus 2024 een besluit is uitgereikt waarin zijn EU verblijfsrecht is ingetrokken, hem is opgedragen Nederland te verlaten en hij daaraan binnen de gegeven termijn van een maand geen gevolg heeft gegeven. In zijn gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser verklaard naar Duitsland te zijn vertrokken na het besluit van 9 augustus 2024, maar enkele dagen later naar Nederland te zijn teruggekeerd. De feitelijke juistheid van de zware grond 3c staat daarom vast. Ook de onbetwiste lichte gronden 4c en 4d zijn feitelijk juist. Eiser heeft namelijk verklaard geen verblijfsadres te hebben en op straat te leven. Ook staat eiser niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen. Eiser heeft verder verklaard te beschikken over € 11,20 en in zijn levensonderhoud te voorzien door lege flessen en blikken te verzamelen. De zware grond 3c en de lichte gronden 4c en 4d zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Wat eiser voor het overige heeft aangevoerd ten aanzien van de zware gronden 3a en 3b behoeft geen bespreking, omdat dit niet kan leiden tot de conclusie dat de bewaring onrechtmatig is.
5. Ook is overigens niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 24 april 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
Pagina 3 van het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de maatregel van 8 april 2025 (M110).
Pagina 4 van het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de maatregel van 8 april 2025 (M110).
Pagina 4 van het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de maatregel van 8 april 2025 (M110).