Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:6671
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,327 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.17934
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. S. Jankie),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Diender).
Procesverloop
Bij besluit van 16 april 2025 is verzoeker met toepassing van artikel 6, eerste en tweede lid, juncto zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Op 14 april 2025 heeft verweerder aan verzoeker meegedeeld dat hij voornemens is om hem op 17 april 2025 om 18:00 uur uit te zetten naar Senegal.
Verzoeker heeft op 16 april 2025 tegen de vrijheidsontnemende maatregel beroep ingesteld. Bovendien heeft verzoeker op dezelfde dag de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat verzoeker het beroep tegen de aan hem opgelegde maatregel in Nederland mag afwachten.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Beoordeling
1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, kan, als tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Op grond van 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.
3. Verzoeker heeft verzocht om een voorlopige voorziening treffen, omdat hij de bewaringszitting van 28 april 2025 wil bijwonen. Daarnaast is verzoeker van plan om opnieuw een asielaanvraag te doen.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
4. In artikel 5, vierde lid, van het EVRM staat dat een ieder, die door detentie zijn vrijheid is ontnomen, het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie. Uit het derde lid van dit artikel volgt dat een ieder die is gedetineerd onverwijld voor een rechter moet worden geleid.
5. Hieruit vloeit voort dat verzoeker het recht heeft om in persoon op een zitting gehoord te worden indien de rechtbank de rechtmatigheid onderzoekt van de oplegging en voortduring van de maatregel van bewaring. Verzoeker wordt door de rechter op zitting gehoord, tenzij eiser zelf aangeeft geen gebruik van dit recht te willen maken of indien verzoeker vanwege persoonlijke omstandigheden of andere organisatorische redenen niet in staat is om in persoon te worden gehoord. Het recht om door de rechter in persoon te worden gehoord op een beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel heeft vanuit het oogpunt van rechtsbescherming een fundamenteel karakter. Dit recht is echter niet absoluut.
6. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van verweerder om tot uitzetting over te gaan zwaarder dan het belang van verzoeker om bij diens bewaringszitting aanwezig te kunnen zijn. In de procedure over de vrijheidsontnemende maatregel wordt de rechtmatigheid van die maatregel getoetst. Ook als de rechtbank oordeelt dat aan verzoeker ten onrechte een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd, betekent dat niet dat verweerder niet bevoegd was om verzoeker uit te zetten. Hierbij is ook van belang dat verweerder voortvarend aan de uitzetting dient te werken om de bewaring zo kort mogelijk te laten duren. Bovendien geldt dat de gemachtigde namens verzoeker op zitting kan toelichten waarom hij meent dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is geweest. Gelet daarop heeft verzoeker geen belang bij het afwachten van een behandeling van het beroep gericht tegen de vrijheidsontnemende maatregel.
7. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 18 april 2025 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Het dictum is telefonisch meegedeeld aan de gemachtigde van verzoeker op 17 april 2025 om 13:33 uur en aan de gemachtigde van verweerder op 17 april 2025 om 13:34 uur.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:991.