Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:6587
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
951 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.8950
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2025 in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. A.M. Veld),
en
de Minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. B.H. Zagers ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag van 24 januari 2025 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 20 februari 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Daarbij is ook een terugkeerbesluit opgelegd, waarin is vermeld dat eiser binnen vier weken moet vertrekken.
2. De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen.
3. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk.
Overwegingen
4. De minister heeft de rechtbank op 19 maart 2025 bericht dat eiser op 8 maart 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. De minister heeft zich daarbij gebaseerd op informatie van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa).
4.1.
De vraag doet zich dan vervolgens voor of eiser nog procesbelang heeft bij het beroep.
4.2.
De gemachtigde van eiser heeft op 2 april 2025 aan de rechtbank laten weten dat zij geen contactgegevens heeft van eiser en dat zij niet ter zitting zal verschijnen.
4.3.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI: RVS:2024:2662) volgt dat wanneer een vreemdeling, die een asielaanvraag heeft ingediend, met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er dan in principe vanuit kan worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem in eerste instantie gezochte bescherming in Nederland. Dit is alleen anders als een vreemdeling nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming.
4.4.
In dit geval heeft eiser de opvang verlaten. De minister en zijn gemachtigde zijn niet op de hoogte gesteld van zijn verblijfplaats en hij heeft ook geen contact meer met zijn gemachtigde.
4.5.
Dit maakt dat de rechtbank ervan uitgaat dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Het is de rechtbank verder ook niet gebleken van concrete aanknopingspunten om hiervan af te wijken.
4.6.
Daarom is er geen belang meer bij een inhoudelijke behandeling van het beroep en is het beroep niet-ontvankelijk.
4.7.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aissa, griffier, op 7 april 2025.
Het proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.