Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-15
ECLI:NL:RBDHA:2025:6465
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,595 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.14503
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en
de Minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).
Procesverloop
Bij besluit van 19 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een besluit opgelegd, waarin aan eiser is medegedeeld dat de maatregel van bewaring, opgelegd op 24 februari 2025, op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) wordt verlengd met ten hoogste drie maanden.
Eiser heeft tegen dit verlengingsbesluit beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft op 28 maart 2025 de maatregel van bewaring, opgelegd op 24 februari 2025, opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2025, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Kan beroep worden ingesteld tegen het verlengingsbesluit?
1. Eiser betoogt dat afzonderlijk beroep kan worden ingesteld tegen een verlengingsbesluit op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000, omdat dit besluit nieuwe rechtsgevolgen met zich meebrengt. Eiser moet immers langer in bewaring blijven.
1.1.
De minister heeft onderaan het besluit een rechtsmiddelenclausule opgenomen, waarin is vermeld dat de vreemdeling bij de rechtbank tegen dit besluit in beroep kan gaan, als hij het er niet mee eens is. De minister stelt echter ter zitting dat geen beroep kan worden ingesteld tegen dit verlengingsbesluit en dat dit beroep daarom behandelt dient te worden als een vervolgberoep tegen de eerste maatregel. De minister verwijst ter onderbouwing hiervan naar artikel 94, zevende lid, van het Vw 2000 waarin staat dat tegen een besluit tot verlenging beroep open staat indien het gaat om een besluit tot verlenging als bedoeld in artikel 59, zesde lid, of artikel 59b, vijfde lid, van de Vw 2000.
1.2.
De rechtbank is van oordeel dat artikel 94, zevende lid, van de Vw 2000 niet uitsluit dat ook beroep kan worden ingesteld tegen een verlenging op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000. Volgens paragraaf A5/6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) kan, na afwijzing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, de bewaring op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000 worden verlengd. In het geval dat in een dergelijke afwijzing is bepaald dat de vreemdeling het beroep in Nederland mag afwachten, wordt de bewaring op grond van artikel 59b van de Vw 2000 niet opgeheven. De bewaring wordt in dat geval op grond van het derde lid van dit artikel verlengd met ten hoogste drie maanden. Dit betekent dat de minister gebruik maakt van de bevoegdheid die haar in artikel 59b derde lid van de Vw 2000 is gegeven om de bewaring langer op deze grondslag te kunnen voortzetten. De rechtbank acht het beroep tegen dit verlengingsbesluit dan ook ontvankelijk.
Is het verlengingsbesluit voldoende gemotiveerd?
2. Eiser betoogt dat het verlengingsbesluit onvoldoende is gemotiveerd. Eiser vindt het onvoldoende dat de minister enkel naar de maatregel van bewaring, die op 24 februari 2025 is opgelegd, verwijst. Bovendien is in het verlengingsbesluit geen verzwaarde belangenafweging gemaakt. Eiser zit al dertien maanden in bewaring, wat onvoldoende wordt meegenomen.
2.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Een verlenging van de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000 betreft een voortduring van de bewaring op dezelfde wettelijke grondslag. Omdat geen sprake is van een nieuwe maatregel, maar de bewaring wordt voortgezet op dezelfde wettelijke grondslag, kon de minister volstaan met de motivering door naar de maatregel van bewaring van 24 februari 2025 te verwijzen. Deze maatregel is door onze rechtbank bij uitspraak van 21 maart 2025 als rechtmatig beoordeeld. Daarnaast geeft de minister in het besluit tot verlenging voldoende aan waarom deze verlenging noodzakelijk is. Eiser had namelijk een voorlopige voorziening ingediend en was in afwachting van de rechterlijke uitspraak. In afwachting van deze uitspraak had eiser rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder h van de Vw 2000 en kon de minister de bewaring op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000 verlengen. Naast de verwijzing naar de maatregel van 24 februari 2025 heeft de minister ook de zienswijze van eiser betrokken in het verlengingsbesluit. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister het verlengingsbesluit voldoende heeft gemotiveerd. Verder is er geen nieuwe verzwaarde belangenafweging nodig in het besluit tot verlenging. Uit paragraaf A5/6.8 van de Vc 2000 volgt dat de minister na een aaneengesloten periode van zes maanden vreemdelingenbewaring is gehouden een verzwaarde belangenafweging te maken. De gehele periode van inbewaringstelling, ook indien de vreemdeling krachtens verschillende grondslagen in bewaring heeft gezeten, dient bij deze belangenafweging betrokken te worden. Buiten deze periode is een verzwaarde belangenafweging niet verplicht. Bovendien merkt de rechtbank op dat in de maatregel van bewaring van 24 februari 2025 wel degelijk een verzwaarde belangenafweging is gemaakt.
Conclusie
3. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse - Pot, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb Den Haag, zp. Roermond, 21 maart 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:2672.