Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-09
ECLI:NL:RBDHA:2025:5938
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,072 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.15106
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. S. Petkovic),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en het verzoek om schadevergoeding. Deze maatregel is opgelegd op 14 november 2024.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 23 januari 2025. Op het eerste vervolgberoep is beslist bij uitspraak van 27 februari 2025.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Ook heeft de minister de verslagen van de vertrekgesprekken van 24 februari 2025 en van 18 maart 2025 overgelegd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 7 april 2025 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.
Overwegingen
Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. Uit de uitspraak van 27 februari 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van het onderzoek, op 24 februari 2025, onrechtmatig is.
Ontbreekt het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn?
3. Eiser betoogt dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Eiser voert in dit kader aan dat nog geen presentatie in persoon is gepland bij de vertegenwoordiging van de Marokkaanse autoriteiten in Nederland en het ook niet duidelijk is wanneer dit gepland zal worden. Eiser voert aan dat zijn identiteit en nationaliteit al bekend zijn bij de minister. Eiser voert in dit kader ook aan dat zijn bewaring al vijf maanden duurt.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank bestaat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Op 28 maart 2025 heeft de vertegenwoordiging van de Marokkaanse autoriteiten in Nederland de nationaliteit van eiser bevestigd. In dit bericht heeft de vertegenwoordiging van de Marokkaanse autoriteiten in Nederland de minister geïnformeerd dat op 3 april 2025 een laisser-passez aan eiser verstrekt zal worden. Daarnaast heeft de minister, na ontvangst van dit bericht, een vlucht voor eiser geboekt naar Casablanca op 9 april 2025. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb Den Haag, zp Arnhem, 23 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1017.
Rb Den Haag, zp Arnhem 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3553.
ABRvS 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.