Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-26
ECLI:NL:RBDHA:2025:5873
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,000 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/7344
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. S.G.C. van Ingen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. B.M. de Wolff).
Procesverloop
Met het besluit van 5 juni 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser laten weten dat zij vanaf 5 september 2024 geen uitkering op grond van de Wet arbeid en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) kan krijgen omdat hij voor het einde van de wachttijd hersteld is gemeld.
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Met het besluit van 17 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Verweerder heeft hangende beroep het besluit van 11 februari 2025 genomen. Met dit besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser gegrond verklaard. Eiser heeft vanaf 7 maart 2024 doorlopend recht op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) waardoor hij de wachttijd voor de WIA-uitkering heeft volgemaakt.
Eiser heeft daarop het beroep ingetrokken en verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
Verweerder heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen een veroordeling in de proceskosten.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Eiser heeft het beroep ingetrokken omdat verweerder aan hem is tegemoet gekomen, als hiervoor bedoeld. De rechtbank zal daarom het verzoek om een proceskostenveroordeling toewijzen.
4. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift).
5. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door eiser betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden.
Dictum
De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, rechter, in aanwezigheid van mr. S.R. Veili, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.