Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-27
ECLI:NL:RBDHA:2025:5845
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
2,070 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.14052
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [v-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. R. Hopman).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Verweerder heeft in het besluit van 25 maart 2025 (het bestreden besluit) besloten om de uitzetting van verzoeker niet achterwege te laten vanwege de opvolgende asielaanvraag die hij heeft ingediend. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit en verzocht om een voorlopige voorziening zodat hij de behandeling van zijn bezwaarschrift in Nederland mag afwachten.
1.1.
Verweerder heeft op 27 maart 2025 met een verweerschrift op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd.
1.2.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting, omdat spoed dit vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoeker heeft eerder een asielaanvraag ingediend. Hij is met een echt bevonden Keniaans paspoort ingereisd, maar hij stelt de Somalische nationaliteit te hebben. Ook stelt hij problemen in Kenia te hebben. Verweerder heeft de nationaliteit en de gestelde problemen ongeloofwaardig geacht en de aanvraag daarom afgewezen. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing, maar dat beroep is bij uitspraak van 17 maart 2025 ongegrond verklaard.
2.1.
Op 25 maart 2025 heeft verzoeker een opvolgende asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft diezelfde dag een zogenoemd “artikel 3.1 Vb besluit” genomen (het bestreden besluit). In dat besluit heeft verweerder besloten dat de uitzetting van verzoeker niet achterwege blijft. Volgens verweerder heeft verzoeker de opvolgende aanvraag alleen maar ingediend om de uitvoering van zijn terugkeerbesluit te vertragen of te verhinderen én kan de aanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard omdat hij geen (relevante) nieuwe elementen of bevindingen naar voren heeft gebracht.
Wat vindt verzoeker?
3. Verzoeker is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daartegen bezwaar gemaakt. Hij heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, omdat zijn uitzetting op 27 maart 2025 gepland staat en hij de beslissing op zijn bezwaar in Nederland wil afwachten. Inhoudelijk voert verzoeker aan dat hij voldoende inspanningen heeft verricht om aan te tonen dat hij de Keniaanse nationaliteit niet bezit. Hij is met een Keniaans paspoort ingereisd dat op frauduleuze wijze is verkregen. Daarnaast heeft hij (inmiddels) stukken om zijn Somalische nationaliteit aan te tonen. Verweerder handelt onzorgvuldig door die stukken niet te onderzoeken. Tot slot betoogt verzoeker dat verweerder met zijn toegepaste geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd handelt met de Kwalificatierichtlijn. Hierbij verwijst verzoeker naar de prejudiciële vragen die deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
Beoordeling
Is er sprake van spoedeisend belang?
4.1.
Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaarschrift. Voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld, moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.
4.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker spoedeisend belang heeft, omdat voor verzoeker op 27 maart 2025 een vlucht gepland staat om hem uit te zetten.
Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
4.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bezwaar van verzoeker geen redelijke kans van slagen heeft. Zij wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af. Hieronder legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
4.4.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de eerste asielaanvraag van verzoeker is afgewezen en dat zijn beroep daartegen bij uitspraak van 17 maart 2025 ongegrond is verklaard. Tegen die uitspraak heeft verzoeker geen hoger beroep ingesteld, waardoor die uitspraak in rechte vaststaat. In die uitspraak heeft de rechtbank – kort gezegd – geoordeeld dat verzoeker niet aan zijn inspanningsverplichtingen heeft voldaan om aannemelijk te maken dat hij zijn Keniaanse paspoort op frauduleuze wijze heeft verkregen. Verweerder mag er daarom vanuit gaan dat verzoeker (in ieder geval) de Keniaanse nationaliteit heeft.
4.5.
Gelet op de uitspraak van 17 maart 2025 volgt de voorzieningenrechter verzoeker niet in zijn herhaalde stelling dat hij wel degelijk aan zijn inspanningsverplichtingen heeft voldaan. Deze stelling is eerder al onvoldoende geacht en verzoeker heeft de stelling nu niet op een andere en aanvullende manier onderbouwd.
4.6.
Het betoog over de Somalische documenten maakt naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter evenmin dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Ook dit punt heeft verzoeker tevergeefs al eerder naar voren gebracht. De voorzieningenrechter wijst er daarbij op dat het aantonen van zijn gestelde Somalische nationaliteit in die zin ook irrelevant is, nu in rechte vaststaat dat mag worden uitgegaan van (in ieder geval) de Keniaanse nationaliteit van verzoeker. Los van het feit dat niet is gebleken dat verzoeker de gestelde documenten daadwerkelijk heeft ingediend bij verweerder, acht de voorzieningenrechter het eventueel achterwege laten van onderzoek daarnaar niet onzorgvuldig. Zoals hiervoor overwogen, doet de conclusie over een eventuele Somalische nationaliteit namelijk niet af aan de Keniaanse nationaliteit van verzoeker.
4.7.
Tot slot leidt het betoog over de toegepaste geloofwaardigheidsbeoordeling ook niet tot een andere conclusie. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat de prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, niet relevant zijn voor de zaak van verzoeker. Zoals verweerder terecht opmerkt in het verweerschrift gaat het in de zaak van verzoeker om de vraag of hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de Keniaanse nationaliteit niet heeft dan wel voldoende inspanningen heeft verricht om aannemelijk te maken dat hij die nationaliteit niet heeft.
4.8.
Nu het bezwaar van verzoeker geen redelijke kans van slagen heeft, komt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat verweerder heeft kunnen besluiten om de uitzetting van verzoeker, ondanks zijn opvolgende asielaanvraag, niet achterwege te laten.
Conclusie
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Dat betekent dat verweerder de uitzetting van verzoeker niet achterwege hoeft te laten.
6. Verweerder hoeft de proceskosten van verzoeker niet te betalen.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier.
Dictum
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zaaknummer: NL24.51484.
Op grond van artikel 3.1, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).
Zie artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Richtlijn 2011/95/EU.
Zie de verwijzingsuitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 18 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2170.