Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-20
ECLI:NL:RBDHA:2025:575
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Vereenvoudigde behandeling
1,565 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.31586 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
de Minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. H.P. Kallenbach),
en
[naam]
, geopposeerde
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: I.M. Zuidhoek),
en uitspraak in de beroepszaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: I.M. Zuidhoek),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
Geopposeerde heeft op 11 augustus 2024 beroep ingediend vanwege het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 28 maart 2023. Bij uitspraak van 14 oktober 2024 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard.
De minister heeft tegen deze uitspraak op 22 november 2024 verzet ingesteld. De rechtbank heeft partijen de mogelijkheid geboden op een zitting te worden gehoord. Partijen hebben niet op deze uitnodiging gereageerd.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder een zitting te houden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt de mogelijkheid om zonder zitting uitspraak te doen, mits het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft bij uitspraak van 14 oktober 2024 geoordeeld dat het beroep kennelijk gegrond was . Zij was van mening dat de beslistermijn op de asielaanvraag van geopposeerde op grond van artikel 42, vierde lid aanhef en onder b van de Vreemdelingenwet (Vw) en het wijzigingsbesluit vreemdelingencirculaire 2023/3 (WBV 2023/3), was verlengd en dat de minister deze verlengde beslistermijn had overschreden. Dit betekende volgens de rechtbank dat de ingebrekestelling terecht was ingediend en dat het beroep voldeed aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
2. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de uitspraak van 14 oktober 2024 terecht is geoordeeld dat het beroep kennelijk gegrond was, dus zonder dat er redelijke twijfel over bestond. De rechtbank neemt de inhoud van de beroepsgronden pas in behandeling wanneer het verzet gegrond wordt verklaard.
3. De minister voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het beroep kennelijk gegrond was. Volgens de minister heeft de rechtbank bij haar beoordeling van de zaak onvoldoende aandacht besteed aan de inhoud van het procesdossier, waarin zich een brief van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) bevindt. In deze brief wordt vermeld dat geopposeerde heeft getekend voor de intrekking van zijn asielaanvraag. De minister stelt dat de rechtbank, door deze informatie niet voldoende in haar beoordeling te betrekken, ten onrechte heeft aangenomen dat er sprake is van een besluit dat niet tijdig is genomen. Ook is volgens de minister de ingebrekestelling in dit geval niet rechtsgeldig, waardoor het beroep ten onrechte kennelijk gegrond is verklaard.
4. De rechtbank stelt vast dat zich in het procesdossier een brief bevindt van 12 september 2023 van de IOM, waarin staat dat geopposeerde Nederland op 8 september 2024 heeft verlaten en daarbij heeft getekend voor het intrekken van zijn nog lopende verblijfsrechtelijke procedures. Door de inhoud van dit gedingstuk niet in de beoordeling te betrekken, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de uitkomst van de zaak zonder redelijke twijfel vaststond. De rechtbank is ten onrechte tot het oordeel gekomen dat het beroep kennelijk gegrond was.
5. Het verzet wordt daarom gegrond verklaard. Dit betekent dat de uitspraak van 14 oktober 2024 vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dit zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.
Beoordeling
6. Partijen is de gelegenheid geboden op een zitting te worden gehoord. Zij hebben niet aangegeven van die gelegenheid gebruik te willen maken. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek niet bijdraagt aan de beoordeling van de beroepszaak. De rechtbank doet daarom niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep. Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb maakt dat mogelijk.
7. Nu eiser de asielaanvraag heeft ingetrokken, kan er geen sprake meer zijn van een besluit op een aanvraag dat niet tijdig is genomen. Dit betekent dat de ingebrekestelling, die betrekking had op het niet tijdig nemen van een besluit, zonder betekenis is.
8. Gelet op de intrekking van de asielaanvraag is de rechtbank van oordeel dat er voor eiser geen procesbelang bestaat. De rechtbank verklaart het beroep van eiser daarom niet- ontvankelijk.
Conclusie
9. Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard, waardoor de rechtbank de zaak niet inhoudelijk zal behandelen. Eiser komt in dit geval niet in aanmerking voor een vergoeding van de proceskosten.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond;
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van T.H. Bos, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open.
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Met geopposeerde wordt bedoeld de partij die geen verzetschrift heeft ingediend.