Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-03
ECLI:NL:RBDHA:2025:5586
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,884 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.2561
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser, V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Procesverloop
Bij besluit van 17 januari 2025 (het overdrachtsbesluit) heeft verweerder bepaald dat eiser zal worden overgedragen aan de autoriteiten van België.
Eiser heeft tegen het overdrachtsbesluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Beoordeling
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1967 en de Armeense nationaliteit te hebben.
2. Bij het overdrachtsbesluit heeft verweerder bepaald dat eiser zal worden overgedragen aan de autoriteiten van België. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 24 maart 2021 en 19 april 2024 in België een asielaanvraag heeft ingediend. Nederland heeft op grond hiervan op 15 januari 2025 een verzoek tot terugname verstuurd aan de Belgische autoriteiten. Op 15 januari 2025 heeft België het verzoek geaccepteerd.
3. Uit het digitale dossier blijkt dat eiser niet aan België is overgedragen, maar op 12 februari 2025 met behulp van het IOM is teruggekeerd naar zijn land van herkomst, Armenië.
4. Eiser kan zich niet met het overdrachtsbesluit verenigen en voert daartoe het volgende aan. Hij heeft in zijn gehoor voorafgaand aan zijn inbewaringstelling aangegeven terug te willen keren naar Armenië. In het overdrachtsbesluit is daarom ten onrechte overwogen dat geen redenen bekend zijn waarom eiser niet zou kunnen worden overgedragen aan België. In dit kader verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2018 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 17 maart 2025. Verweerder had bij de Belgische autoriteiten moeten nagaan wat de uitkomst was van zijn asielaanvragen, omdat verweerder bij afwijzing daarvan had moeten kiezen tussen overdracht aan België of terugkeer naar Armenië met toepassing van de Terugkeerrichtlijn. Dit was in het bijzonder relevant nu eiser van begin af aan heeft aangegeven terug te willen keren naar Armenië. Daarnaast heeft eiser nog belang bij een inhoudelijke beoordeling van het overdrachtsbesluit, omdat vernietiging daarvan zou betekenen dat de maatregel van bewaring komt te vervallen en hij de mogelijkheid heeft een herzieningsverzoek in te dienen tegen de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 28 januari 2025.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Voordat de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep kan toekomen, dient zij te beoordelen of eiser procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn beroep.
6. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling dient de bestuursrechter een beroep slechts inhoudelijk te beoordelen als de indiener daarbij een actueel en reëel belang heeft. Als dat belang is vervallen, is de bestuursrechter niet geroepen uitspraak te doen uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan.
7. Eiser is niet overgedragen aan de autoriteiten van België, maar op 12 februari 2025 met behulp van het IOM teruggekeerd naar Armenië. Eiser heeft daarom geen belang bij een beoordeling van het door hem ingestelde beroep tegen het overdrachtsbesluit, waarin is bepaald dat hij op grond van de Dublinverordening zal worden overgedragen aan België. Aangezien eiser vrijwillig is vertrokken met het IOM mag worden aangenomen dat hij geen prijs meer stelt op internationale bescherming. Bovendien blijkt uit de stukken in het dossier dat eiser op 12 februari 2025 een ‘verklaring vrijwillig vertrek uit Nederland’ van het IOM heeft ondertekend, waarin hij er onder andere mee instemt dat nog lopende verblijfsrechtelijke procedures worden ingetrokken. Het beoordelen van de vraag of verweerder terecht België verantwoordelijk heeft gesteld voor de terugname van eiser op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening, dient daarmee geen doel meer.
8. Bovendien was de maatregel van bewaring niet gebaseerd op het overdrachtsbesluit, maar op een concreet aanknopingspuntpunt voor toepassing van de Dublinverordening, namelijk een Eurodac-hit. De aanwezigheid van een overdrachtsbesluit is ook geen voorwaarde voor een inbewaringstelling op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Zelfs als de rechtbank bij een inhoudelijke beoordeling tot de conclusie zou komen dat het overdrachtsbesluit onrechtmatig is, betekent dit niet dat de inbewaringstelling eveneens onrechtmatig was. Daarmee kan dit geen belang opleveren voor verdere beoordeling van het overdrachtsbesluit. Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring al is beoordeeld door deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 28 januari 2025. Daarin is tevens overwogen dat het betoog van eiser dat de Dublinverordening niet op hem van toepassing is vanwege zijn wil om terug te keren naar Armenië, geen steun vindt in de Dublinverordening. Dat eiser geen asielwens heeft geuit in Nederland, betekent ook niet dat de Dublinverordening niet langer op eiser van toepassing is, gelet op de door hem ingediende asielverzoeken in België.
9. Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het overdrachtsbesluit, zodat het beroep niet-ontvankelijk is en niet wordt toegekomen aan een beoordeling van de inhoudelijke beroepsgronden van eiser tegen het overdrachtsbesluit.
10. Het beroep is niet-ontvankelijk.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 3 april 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger-beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hoger-beroepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 26, eerste lid, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening).
Op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening.
Internationale Organisatie voor Migratie.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2018:2818.
ECLI:NL:RBDHA:2025:4124.
ECLI:NL:RBDHA:2025:979.
Volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 14 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU8624.