Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-27
ECLI:NL:RBDHA:2025:5527
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,951 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.2366
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , v-nummer: [nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en
de minister van Asiel en Migratie
,
(gemachtigde: mr. N. Hanzaoui).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de intrekking van haar verblijfsvergunning.
1.1.
De minister heeft de verblijfsvergunning van eisers met het besluit van 11 oktober 2021 ingetrokken. Eiseres heeft op 10 maart 2023 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met het bestreden besluit van 16 januari 2024 op het bezwaar van eiseres heeft de minister het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep op 20 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon a], als waarnemer van de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt de intrekking van de verblijfsvergunning van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is het bestreden besluit op de juiste wijze aan eiseres bekendgemaakt?
5. Eiseres betoogt dat het bestreden besluit waarmee haar verblijfsvergunning is ingetrokken niet op de juiste wijze bekend is gemaakt. Hierdoor is zij niet op tijd in bezwaar gegaan tegen dit besluit. De minister is tot intrekking van de verblijfsvergunning overgegaan omdat uit de Basisregistratie pPersonen (Brp) gebleken zou zijn dat eiseres vanaf 7 januari 2021 was uitgeschreven uit het bevolkingsregister met de opmerking “Registratie Niet-Ingezetenen”. Het is zeer merkwaardig dat het besluit kennelijk toch is toegezonden naar een adres, waarvan op voorhand bekend was dat eiseres daar niet meer verbleef. Het toezenden van een intrekkingsbesluit aan een adres waarvan op voorhand bekend is dat de vreemdeling daar niet meer woont, kan mede gelet op de verstrekkende gevolgen van een dergelijk besluit, niet worden aangemerkt als een geschikte en rechtsgeldige wijze van bekendmaking. Daarnaast had van de minister verwacht mogen worden dat hij het besluit naast toezending aan het laatst bekende adres, ook zou publiceren in de Staatscourant. Tot slot is eiseres van mening dat de minister het besluit tot intrekking van haar verblijfsvergunning aan eiseres bekend had moeten maken bij haar terugkomst naar Nederland.
5.1.
Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover hier van belang, vindt de bekendmaking van een besluit plaats door toezending of uitreiking aan de belanghebbende. Op grond van het tweede lid vindt de bekendmaking, wanneer toezending of uitreiking niet mogelijk is, plaats op een andere geschikte wijze.
Artikel 3.104 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) bevat nadere regels over de bekendmaking van besluiten op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De voor deze zaak relevante leden 4 en 5 van dit artikel luiden als volgt:
“4. De beschikking ten aanzien van een zich in het buitenland bevindende vreemdeling, waarbij de aanvraag tot het verlenen, het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning geheel of gedeeltelijk wordt ingewilligd, of waarbij de verblijfsvergunning ambtshalve wordt verleend of gewijzigd, wordt bekendgemaakt na zijn aankomst in Nederland. Het eerste, tweede en derde lid zijn van toepassing.
5. De beschikking, die niet of niet mede strekt tot het verlenen, wijzigen of verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onder a of b, van de Wet, wordt bekend gemaakt door uitreiking of door toezending naar het laatst bekende adres. De referent die de aanvraag heeft ingediend, wordt onverwijld in kennis gesteld van de bekendmaking.”
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het bestreden besluit door toezending aan het laatst bekende Brp-adres rechtsgeldig bekend is gemaakt. Het betoog van eiseres dat het besluit bij haar terugkomst in Nederland aan haar had moeten worden uitgereikt slaagt niet. Zoals duidelijk uit de tekst van bovenstaande bepaling blijkt, ziet deze wijze van bekendmaking enkel op het verlenen, wijzigen of verlengen van een verblijfsvergunning en niet op het intrekken daarvan. In die situatie geldt het vijfde lid van dit artikel. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) dat in een situatie als die van eiseres, waarbij de vreemdeling is uitgeschreven uit de Brp en geen ander (post)adres heeft doorgegeven, bekendmaking door toezending aan het laatst bekende Brp-adres in overeenstemming is met artikel 3.104, vijfde lid, van het Vb 2000 en kan worden gezien als een andere geschikte wijze van bekendmaking als bedoeld in artikel 3:41, tweede lid, van de Awb. Daarbij is van belang dat eiseres verplicht is om, wanneer het nieuwe adres niet in de Brp wordt ingeschreven, adreswijzigingen aan de minister door te geven en dat de gevolgen van het niet nakomen van deze verplichting voor haar risico komen. Eiseres heeft dit niet gedaan. De verwijzing door eiseres naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, uit 2006 leidt niet tot een ander oordeel, omdat deze dateert van vóór de uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2022. Uit de eerder aangehaalde rechtspraak van de Afdeling volgt tot slot dat publicatie in de Staatscourant in een situatie als die van eiseres niet is vereist.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de intrekking van de verblijfsvergunning van eiseres in stand blijft. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Rb. Den Haag (zp. Amsterdam) 26 mei 2006, AWB 06/24105 (niet gepubliceerd).
Gelet op Rb. Den Haag (zp. Amsterdam) 1 december 2011, ECLI-nummer onbekend.
Zoals bedoeld in artikel 3:104, vierde lid, van de Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).
Zie ABRvS 22 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2423, r.o. 2.1.
Op grond van artikel 4.37, eerste en tweede lid, van het Vb 2000.
Idem.
Zie ABRvS 22 augustus 2022, punt 2.2.