Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-26
ECLI:NL:RBDHA:2025:5493
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,222 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.11709 (beroep) en NL25.11710 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. C.M.E. Schreinemacher),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 11 maart 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Beoordeling
Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Guinese nationaliteit te hebben en op [geboortedag] 2001 geboren te zijn. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Eiser stelt dat hij al eerder asiel heeft gekregen in Duitsland, maar onder een andere naam en dat dit problemen op kan leveren. Daarnaast is eiser bang dat wanneer hij terug wordt gestuurd naar Duitsland hij vermoord zal worden. Eiser beroept zich op het EVRM. Eiser stelt eerder met een pistool te zijn bedreigd en is van mening dat de Duitse autoriteiten hem niet kunnen helpen. Volgens eiser had verweerder de aanvraag zelf in behandeling moeten nemen. Eiser wil het liefst in Nederland blijven en heeft hier werk.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. De rechtbank stelt als uitgangspunt voorop dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de gegevens in de zaak.
6. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 november 2023 nog geoordeeld dat ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank overweegt in dat kader dat Duitsland onder meer partij is bij het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en de richtlijnen van de Europese Unie op het gebied van asielrecht. Verder heeft eiser zijn stellingen dat hij gevaar loopt in Duitsland en de kans loopt vermoord te worden onvoldoende onderbouwd. In eisers stelling dat hij in Duitsland eerder asiel heeft gekregen onder een andere naam ziet de rechtbank geen reden om het beroep gegrond te verklaren.
Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat eiser bij voorkomende problemen in de Duitse asielprocedure, opvangvoorzieningen of anderszins, de Duitse (hogere) autoriteiten of de daarvoor geschikte instanties van Duitsland kan benaderen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.
Artikel 17 Dublinverordening
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de door eiser aangevoerde individuele omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien om de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden waardoor een overdracht leidt tot onevenredige hardheid. De verklaringen van eiser zijn onvoldoende en reeds betrokken bij de vraag of er voor Duitsland nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden.
Conclusie
8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.
Dictum
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2023:4107.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.11709 (beroep) en NL25.11710 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. C.M.E. Schreinemacher),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 11 maart 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Beoordeling
Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Guinese nationaliteit te hebben en op [geboortedag] 2001 geboren te zijn. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Eiser stelt dat hij al eerder asiel heeft gekregen in Duitsland, maar onder een andere naam en dat dit problemen op kan leveren. Daarnaast is eiser bang dat wanneer hij terug wordt gestuurd naar Duitsland hij vermoord zal worden. Eiser beroept zich op het EVRM. Eiser stelt eerder met een pistool te zijn bedreigd en is van mening dat de Duitse autoriteiten hem niet kunnen helpen. Volgens eiser had verweerder de aanvraag zelf in behandeling moeten nemen. Eiser wil het liefst in Nederland blijven en heeft hier werk.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. De rechtbank stelt als uitgangspunt voorop dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de gegevens in de zaak.
6. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 november 2023 nog geoordeeld dat ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank overweegt in dat kader dat Duitsland onder meer partij is bij het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en de richtlijnen van de Europese Unie op het gebied van asielrecht. Verder heeft eiser zijn stellingen dat hij gevaar loopt in Duitsland en de kans loopt vermoord te worden onvoldoende onderbouwd. In eisers stelling dat hij in Duitsland eerder asiel heeft gekregen onder een andere naam ziet de rechtbank geen reden om het beroep gegrond te verklaren.
Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat eiser bij voorkomende problemen in de Duitse asielprocedure, opvangvoorzieningen of anderszins, de Duitse (hogere) autoriteiten of de daarvoor geschikte instanties van Duitsland kan benaderen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.
Artikel 17 Dublinverordening
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de door eiser aangevoerde individuele omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien om de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden waardoor een overdracht leidt tot onevenredige hardheid. De verklaringen van eiser zijn onvoldoende en reeds betrokken bij de vraag of er voor Duitsland nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden.
Conclusie
8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.
Dictum
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2023:4107.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.