Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-15
ECLI:NL:RBDHA:2025:540
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,593 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.38377
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , ook genoemd: [naam 1] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. B.A. Palm),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.R. Vreijsen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn opvolgende asielaanvraag. De minister heeft met het bestreden besluit van 30 september 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
2. De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2024 in Breda op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of de minister de opvolgende asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd: de beroepsgronden.
Het asielrelaas
4. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1964 en van Georgische nationaliteit te zijn.
5. Eiser heeft eerder voor langere tijd in Nederland verbleven. Op 13 juni 1997 heeft hij zijn eerste asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is op 25 september 1997 afgewezen. Dit besluit is in beroep in stand gebleven. Daarna zijn meermaals aanvragen voor een verblijfsvergunning en verzoeken om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw ingediend, steeds zonder succes. Op 29 juli 2023 is eiser uitgezet naar Georgië. Aan eiser is een inreisverbod opgelegd van twee jaar, en dat inreisverbod is op die datum ook in werking getreden.
6. Op 27 augustus 2024 heeft eiser zijn opvolgende asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan die aanvraag ten grondslag gelegd dat hij Georgië opnieuw heeft moeten ontvluchten nadat hij verhalen heeft gehoord over een politieman, genaamd [naam 2] . Met alles wat hij over deze politieman heeft gehoord, wist hij dat het voor hem niet veilig was om in Georgië te blijven. Hij heeft ook verklaard over een tweetal incidenten. Eiser is achtervolgd door een zwarte Jeep en ondervraagd door de inzittenden. En er was ook een incident met een man in een flatgebouw. Eiser heeft verklaard dat de man hem in een liftschacht heeft geduwd, en volgens eiser was dat het werk van [naam 2] . Bij het laatstgenoemde incident heeft eiser ernstige botbreuken opgelopen, waarvoor hij in het ziekenhuis is opgenomen. Eiser heeft verklaard dat hij, tegen doktersadvies in, het ziekenhuis heeft verlaten. Hij heeft daarna nog tijd bij een vriend kunnen verblijven. Zodra hij een beetje kon lopen, heeft hij tickets gekocht, waarna hij is vertrokken.
Het bestreden besluit
7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst,
problemen in Georgië in de jaren negentig;
problemen in Georgië in 2023.
8. De minister heeft de opvolgende asielaanvraag afgewezen omdat hij de gestelde problemen ongeloofwaardig acht. De minister heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiser geen enkel document heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn asielrelaas en dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister heeft daarbij in aanmerking genomen dat de verklaringen over de problemen in de jaren negentig in de eerdere procedures ook ongeloofwaardig zijn geacht en dat de gestelde problemen in 2023 daaruit voortkomen. De minister heeft de aanvraag afgewezen als ‘kennelijk’ ongegrond, omdat Georgië in het algemeen wordt gezien als een veilig land van herkomst en eiser niet valt onder de uitzonderingscategorieën voor wie wordt aangenomen dat Georgië niet veilig is, en omdat eiser na terugkeer naar Nederland niet onmiddellijk asiel heeft gevraagd toen dat mogelijk was, maar negen maanden heeft gewacht.
De beroepsgronden
9. Eiser heeft aangevoerd dat de minister zijn psychische situatie niet of niet juist heeft meegewogen in de besluitvorming. Hij stelt zich op het standpunt dat hij lijdt aan een posttraumatische stressstoornis (ptss) en dat dit negatieve invloed heeft en heeft gehad op zijn vermogen om coherent en volledig te verklaren. Verder stelt eiser dat de minister het asielrelaas ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.
Zorgvuldigheid
10. Eiser is op 25 september 2024 gehoord naar aanleiding van zijn opvolgende aanvraag. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister bij de beoordeling van zijn verklaringen op geloofwaardigheid onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn psychische situatie. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij een verklaring van psycholoog drs. [psycholoog] van 22 juli 2024 overgelegd. In deze brief beantwoordt [psycholoog] vier vragen van de gemachtigde van eiser:
Is er sprake van een simulatie van psychische klachten?
Is meneer getraumatiseerd door de gebeurtenissen in Georgië en na zijn recente (gedwongen) terugkeer naar Georgië en waarin uit zich dit?
Wat zijn de consequenties daarvan voor het al dan niet adequaat kunnen antwoorden op vragen van de IND?
Had meneer gehoord kunnen en mogen worden in zijn eerdere asielprocedure?
11. [psycholoog] heeft in zijn brief van 22 juli 2024 gerapporteerd dat hij, op basis van de hem daartoe beschikbare diagnostische middelen, tot de conclusie is gekomen dat er hoe dan ook geen sprake is van simulatie van psychische klachten. Volgens [psycholoog] is er bij eiser sprake van een ptss (meervoudig) en een depressieve stoornis (zeer ernstig met vitale en melancholische kenmerken). [psycholoog] acht het zeer aannemelijk of onontkoombaar dat eiser vanwege de stoornis niet consistent heeft verklaard.
12. De rechtbank stelt vast dat eiser de brief van [psycholoog] al bij de aanvraag heeft overgelegd. Deze brief bevat een diagnose en heeft verder betrekking op eisers tijdens eerdere asielprocedures afgelegde verklaringen. Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, heeft in de uitspraak van 25 juli 2019 geoordeeld dat de ptss van eiser geen afdoende verklaring is voor het feit dat eiser in 2019 een heel ander asielrelaas naar voren bracht dan in 1997 en 1999. Ter zitting heeft de minister daar terecht op gewezen. Deze uitspraak staat in rechte vast en het rapport van [psycholoog] uit 2024 levert geen nieuwe inzichten op die leiden tot een ander oordeel over de tijdens de eerdere drie asielprocedures door eiser afgelegde verklaringen. De hoormedewerker heeft in het dossier geen aanleiding gezien om voorafgaand aan het gehoor van 25 september 2024 een ‘medisch advies horen en beslissen’ in te winnen. Ook is er tijdens het gehoor blijkbaar geen aanleiding geweest om het gehoor af te breken. De rechtbank stelt vast dat de hoormedewerker op meerdere momenten tijdens het gesprek heeft geïnformeerd naar de gesteldheid van eiser en ook meerdere pauzes heeft ingelast. Bij de afsluiting van het gehoor heeft eiser aangegeven dat hij wel gespannen was, maar dat hij desondanks redelijk goed heeft kunnen verklaren. De minister heeft in het voornemen en in het bestreden besluit gereageerd op de brief van [psycholoog] . Daaruit blijkt dat de minister kennis heeft genomen van de inhoud van de brief en op de hoogte was van de gestelde diagnose.
13. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bestreden besluit op zorgvuldige wijze heeft voorbereid en dat de minister ook voldoende heeft gemotiveerd waarom hij vindt dat hij van de tijdens het gehoor afgelegde verklaringen kan uitgaan. Ter zitting heeft de minister daaraan nog toegevoegd dat hij de medische bevindingen van [psycholoog] niet ontkent of ter zijde schuift, maar dat deze niet maken dat niet van de afgelegde verklaringen kan worden uitgegaan, omdat de conclusie over de ongeloofwaardigheid van de verklaringen met name is gebaseerd op feitelijke tegenwerpingen en niet op tegenstrijdigheid of inconsistentie in de verklaringen. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat het rapport van het gehoor er geen blijk van geeft dat eiser op dat moment niet in staat was om consistent of coherent te verklaren.
14. De beroepsgrond, dat in het bestreden besluit onvoldoende rekening is gehouden met de psychische situatie van eiser, slaagt niet. Dat betekent dat de minister in zijn beoordeling heeft mogen afgaan op de verklaringen die eiser heeft afgelegd bij het gehoor.
De geloofwaardigheid
15. De minister heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de gestelde problemen in de jaren negentig en de problemen na zijn (gedwongen) terugkeer in Georgië in 2023 niet geloofwaardig zijn.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 15 januari 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw.
ECLI:NL:RBAMS:2019:5443.
Rapport gehoor opvolgende aanvraag, pagina 7 van 16.