Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-25
ECLI:NL:RBDHA:2025:5327
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,288 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.1296
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], verzoeker
(gemachtigde: mr. T.M. van der Wal),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, de minister
(gemachtigde: mr. M. Verzijden).
Procesverloop
1. De minister heeft met het besluit van 27 december 2024 de aanvraag van eiser voor een faciliterend visum afgewezen. Eiser heeft hiertegen op 9 januari 2025 bezwaar gemaakt en op diezelfde datum de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, zijn partner en de gemachtigde van de minister. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling
2. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Verzoeker heeft aannemelijk gemaakt dat hij niet over voldoende inkomsten of vermogen beschikt om het verschuldigde bedrag te betalen. Verzoeker wordt daarom vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
2. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een faciliterend visum met als doel Nederland te kunnen inreizen om bij zijn zoon te kunnen zijn. Hij betoogt daarvoor in aanmerking te komen op grond van artikel 20 van het VWEU en het Chavez-Vilchez arrest. Verzoeker heeft daarbij een aantal stukken overgelegd.
2.1.
Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter om te bepalen dat de minister hem behandelt als ware hij in het bezit van een faciliterend visum, ervoor te zorgen dat verzoeker zo spoedig mogelijk naar Nederland kan reizen en binnen één maand aan hem een faciliterend visum verstrekt. Ook verzoekt hij de minister te veroordelen in de proceskosten.
3. De minister heeft ter zitting naar voren gebracht dat te verwachten is dat een besluit op bezwaar genomen zal worden binnen de beslistermijn, die op 25 mei 2025 eindigt.
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af en overweegt daartoe het volgende.
4.1.
Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan hangende de bezwaarfase een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in de door verzoeker gestelde belangen geen omstandigheden zijn gelegen die maken dat sprake is van onverwijlde spoed om gedurende de bezwaarfase nog een voorlopige voorziening te treffen. De enkele wens van verzoeker om bij zijn zoon te zijn is in dit verband niet voldoende. Verzoeker heeft erop gewezen dat zijn zoon geslaagd is en dat op [datum 1] de diploma-uitreiking is, maar deze datum is inmiddels verstreken. Bovendien is de door de rechtbank aan verzoeker geboden mogelijkheid om de zitting eerder, voorafgaand aan [datum 2] te doen plaatsvinden, niet benut. Door verzoeker zijn ook geen andere zwaarwegende belangen, zoals bijvoorbeeld een medische noodsituatie, aannemelijk gemaakt. De omstandigheid dat de partner van verzoeker waarschijnlijk op [datum 3] een operatie zal ondergaan, is in dit verband ook onvoldoende, te meer dat niet aannemelijk is gemaakt dat de inmiddels [leeftijd 1] zoon alsdan in een noodsituatie zal komen te verkeren en de aanwezigheid van verzoeker in dat verband noodzakelijk zou zijn. In de omstandigheid dat de broer onlangs is overleden en de zoon in [leeftijd 2] wordt, is evenmin onverwijlde spoed gelegen.
4.3.
Wanneer er geen sprake is van enige onverwijlde spoed, treft de voorzieningenrechter hangende de bezwaarfase alleen een voorlopige voorziening als op voorhand meteen duidelijk is dat aan het primaire besluit dermate evidente ernstige rechtmatigheidsgebreken kleven die maken dat er maar één conclusie mogelijk is, dat in de bezwaarfase het primaire besluit moet worden herroepen. Daarvan is in deze zaak niet op voorhand gebleken.
Conclusie
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek als geheel af.
6. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van I. Wolthuis, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.