Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-13
ECLI:NL:RBDHA:2025:5308
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,454 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/680965 / JE RK 25-342
Datum uitspraak: 13 maart 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de Raad,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
hierna ook tezamen te noemen: de ouders,
samenwonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 februari 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 maart 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- [naam 1] namens de Raad;
- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De ouders zijn met elkaar gehuwd.
2.2.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.3.
[de minderjarige] woont bij de ouders.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [de minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek – samengevat en zakelijk weergegeven - als volgt gemotiveerd. Volgens de Raad is sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling bij [de minderjarige] . [de minderjarige] laat in de thuissituatie bij de ouders zelfbepalend en externaliserend gedrag zien en trekt zich weinig aan van de andere gezinsleden, waardoor er verschillende incidenten hebben plaatsgevonden. Zij lijkt regie te willen houden over haar eigen activiteiten en over de ouders en komt hierbij dwangmatig over. [de minderjarige] vindt het lastig om naar haar eigen aandeel in een conflict te kijken. De ouders en [de minderjarige] hebben een andere beleving van de situatie. Zo vindt [de minderjarige] dat de ouders moeten veranderen en dat de schuld bij hen ligt en de ouders vinden dat [de minderjarige] moet veranderen en de schuld bij haar ligt. De relatie tussen [de minderjarige] en de ouders is verstoord geraakt en de ouders lijken zich onmachtig te voelen en continu in een stresssituatie te zitten. Volgens de Raad zijn de ouders overbelast en kunnen zij de problematiek niet meer overzien, waardoor zij handelingsverlegen raken en de grip over [de minderjarige] lijken kwijt te raken. In het vrijwillig kader is al veel hulpverlening ingezet en er is gekeken naar kamertraining voor [de minderjarige] . De ouders staan open voor de hulpverlening, maar [de minderjarige] niet. Zij is van mening dat de ouders normaal moeten doen en wanneer zij dat doen er dan geen problemen meer zijn. Gelet op het voorgaande acht de Raad het noodzakelijk dat er naar het gezinssysteem wordt gekeken en naar hoe de gezinsrelaties kunnen worden hersteld en versterkt. Het is van belang dat de ouders wordt ontlast en wordt gekeken of en hoe [de minderjarige] gemotiveerd kan worden om de benodigde hulpverlening aan te gaan. Ook zou het helpend zijn als er opnieuw diagnostisch onderzoek zal plaatsvinden zodat duidelijk wordt waar [de minderjarige] bij gebaat is. Gelet op het voorgaande verzoekt de Raad een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar. Dit is een passende termijn, omdat er sprake is van langdurige en complexe problematiek en het tijd kost om hier voldoende verbetering in aan te brengen.
4De standpunten
4.1.
De ouders hebben ingestemd met het verzochte. De vader heeft aangegeven dat [de minderjarige] veel in haar eigen wereld leeft. In de thuissituatie is [de minderjarige] continu conflicten aan het opzoeken en het lukt de ouders niet om op een juiste manier met [de minderjarige] te communiceren. Als de ouders op [de minderjarige] reageren, gaat zij telkens een stapje verder. [de minderjarige] is ervan overtuigd dat het probleem bij de ouders ligt. [de minderjarige] wil niet meewerken aan hulpverlening, omdat zij het onzin vindt. Ook staat [de minderjarige] niet open voor kamertraining of een kortdurende time-out, waarbij zij even ergens anders zou wonen.
4.2.
De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en staat achter het verzoek van de Raad. Ook in gesprek met de gecertificeerde instelling heeft [de minderjarige] meerdere keren aangegeven dat de ouders ‘normaal’ moeten doen. Tijdens een huisbezoek heeft de gecertificeerde instelling de interactie tussen de ouders en [de minderjarige] waargenomen. De gecertificeerde instelling heeft zorgen dat de ouders overbelast raken en niet zichzelf kunnen zijn in de thuissituatie. [de minderjarige] staat niet open voor hulpverlening en doordat zij geen medewerking verleend, kunnen er geen stappen worden genomen. [de minderjarige] staat daarbij niet open voor een time-out in het netwerk om de ouders te ontlasten.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.2.
Daartoe overweegt de kinderrechter als volgt. Er zijn grote zorgen over de ontwikkeling van [de minderjarige] . [de minderjarige] vertoont in de thuissituatie zelfbepalend en externaliserend gedrag zien, waarbij zij moeite heeft om haar emoties te reguleren. De dynamiek tussen de ouders en [de minderjarige] is momenteel dusdanig verstoord dat in de thuissituatie sprake is van veel spanningen tussen [de minderjarige] en de ouders. Dit uit zich vooral in boosheid door te schreeuwen en te schelden naar de ouders. Het lukt [de minderjarige] niet om naar haar eigen aandeel rondom de problemen in de thuissituatie te kijken en vindt enkel dat de ouders ‘normaal’ moeten doen. Het gedrag van [de minderjarige] vraagt veel van de ouders waardoor zij daarin handelingsverlegen en overbelast zijn geraakt. Het lukt de ouders niet om grip om [de minderjarige] te krijgen, wat ook invloed heeft op de andere gezinsleden, namelijk de zusjes van [de minderjarige] . Het is de ouders niet gelukt om met de steun van de hulpverlening in het vrijwillig kader de zorgen over [de minderjarige] weg te nemen. [de minderjarige] weigert namelijk elke vorm van de hulpverlening, waardoor er geen stappen kunnen worden genomen. De kinderrechter vindt het daarom noodzakelijk dat er een jeugdbeschermer bij [de minderjarige] betrokken die toezicht houdt op de ontwikkeling en opvoedsituatie van [de minderjarige] . Een jeugdbeschermer kan ervoor zorgen dat passende hulpverlening voor [de minderjarige] en de ouders wordt ingezet en dat hierover regie wordt gevoerd. Het is van belang dat de jeugdbeschermer gaat uitzoeken hoe [de minderjarige] op een passende manier kan worden gemotiveerd om de benodigde hulpverlening aan te gaan. Gelet op de zorgen die er zijn en de tijd die nodig is om de zorgen weg te nemen, acht de kinderrechter de verzochte duur van een jaar passend en geboden. De hulpverlening moet nog worden opgestart en het zal enige tijd vergen om [de minderjarige] te motiveren en haar vertrouwen de winnen. De kinderrechter zal het verzoek, waartegen geen verweer is gevoerd, dan ook toewijzen zoals verzocht.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
stelt [de minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 13 maart 2025 tot 13 maart 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2025 door mr. M. de Kleine, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.M. Goossen als griffier, en op schrift gesteld op 27 maart 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.