Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-28
ECLI:NL:RBDHA:2025:5242
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
962 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.2677
uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 maart 2025 in de zaak tussen
[verzoekster], v-nummer: [nummer], verzoekster
(gemachtigde: mr. C.N. Noordzee),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter de ontvankelijkheid van het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster hangende haar beroep tegen de gehandhaafde afwijzing van haar aanvraag om een verblijfsvergunning regulier met het doel familieleven in het kader van artikel 8 van het EVRM.
1.1.
De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat het griffierecht niet is betaald en het niet betalen niet verschoonbaar is. De voorzieningenrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. De indiener van een verzoek om voorlopige voorziening moet griffierecht betalen. De voorzieningenrechter verklaart dit verzoek niet-ontvankelijk als het bedrag niet binnen de gestelde termijn is betaald, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Heeft de rechtbank verzoekster een betalingstermijn gegeven voor het griffierecht?
4. De griffier heeft verzoekster op 21 januari 2025 bij aangetekende brief in de gelegenheid gesteld om het griffierecht binnen vier weken na dagtekening van deze brief te betalen. Daarbij heeft de griffier vermeld dat als verzoekster het griffierecht niet (binnen de betalingstermijn) heeft betaald verzoekster het risico loopt dat haar verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard. De in de aangetekende brief vermelde betalingstermijn eindigde daarmee op 18 februari 2025 (vier weken na 21 januari 2025).
5. De rechtbank heeft deze aangetekende brief op 14 februari 2025 retour ontvangen. Uit de verzendinformatie van PostNL blijkt dat de aangetekende brief niet afgehaald is bij een PostNL-punt.
Heeft verzoekster het griffierecht betaald?
6. Uit de administratie van de rechtbank blijkt dat verzoekster het griffierecht niet (binnen de gestelde betalingstermijn) heeft voldaan.
Vindt de rechtbank het niet op tijd betalen van het griffierecht verontschuldigbaar?
7. Verzoekster heeft geen reden opgegeven voor het niet (op tijd) betalen van het griffierecht aan de rechtbank. Dat betekent dat de rechtbank het niet (op tijd) betalen van het griffierecht dan ook niet verontschuldigbaar vindt.
Conclusie
8. Omdat verzoekster het griffierecht niet (op tijd) heeft betaald en daar geen (goede) reden voor heeft meegedeeld, is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Berendsen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Dit volgt uit artikel 8:41, zesde lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:82, derde lid, van de Awb.