Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-21
ECLI:NL:RBDHA:2025:5210
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,524 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.10976
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. P. Celikkal),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).
Procesverloop
Bij besluit van 7 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw Kulisanova. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Tsjechische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1991.
Staandehouding
2. Eiser stelt dat de staandehouding onrechtmatig tot stand is gekomen. Hij voert daartoe aan dat uit het proces-verbaal van staandehouding geen (strafrechterlijke) aanleiding blijkt, maar dat de politie enkel de systemen heeft geraadpleegd. Dit is onvoldoende om vast te stellen dat er sprake is van onrechtmatig verblijf.
3. De rechtbank is van oordeel dat – anders dan eiser stelt – de staandehouding rechtmatig is. Op pagina 1 van het M105 formulier (proces-verbaal van staandehouding) van 7 maart 2025 blijkt dat het bij de verbalisanten ambtshalve bekend was dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland had. Hieruit volgt dat er voor de verbalisanten een redelijk
vermoeden van illegaal verblijf aanwezig was en dat de daaropvolgende staandehouding rechtmatig was. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
4. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
5. De minister heeft ter zitting lichte grond 4e laten vallen. Eiser heeft zware gronden 3a, 3b en 3c betwist. Ook heeft eiser lichte grond 4d betwist.
6. De rechtbank stelt vast dat zware grond 3i en de lichte gronden 4a en 4c niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat een significant risico op onderduiken reeds daarmee is gegeven.
Voortvarend handelen
7. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser. Hij voert daartoe aan dat de minister een noodpaspoort had, maar dat het tien dagen heeft geduurd voordat de minister eiser naar Tsjechië heeft uitgezet. Eiser stelt dat de minister de uitzetting sneller had moeten bewerkstelligen.
8. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser. Op zitting heeft de minister toegelicht dat minister op 11 maart 2025 een regievoerder aan eisers zaak heeft gekoppeld, en dat de regievoerder diezelfde dag een vlucht heeft geboekt voor de eerst mogelijke optie, zijnde 17 maart 2025. De rechtbank oordeelt dat dit getuigt van voldoende voortvarend handelen. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
9. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
21 maart 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.