Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-25
ECLI:NL:RBDHA:2025:5066
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,326 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12343
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. S.H. van Wingerden),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en het verzoek om schadevergoeding. Deze maatregel is opgelegd op 26 februari 2025.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 7 maart 2025.
De minister heeft op 10 maart 2025 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat eiser een asielaanvraag heeft ingediend.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Daarnaast heeft de minister een model M113 (opheffing van de maatregel) en een formulier M35H (asielaanvraag) overgelegd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 21 maart 2025 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.
Overwegingen
Toetsingskader
1. Uit de uitspraak van 7 maart 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 5 maart 2025) rechtmatig is.
1.1.
Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Is de maatregel van bewaring te laat omgezet?
2. Eiser betoogt dat de maatregel van bewaring van 26 februari 2025 te laat is omgezet. Eiser heeft op 5 maart 2025 asiel aangevraagd, waarna de minister 48 uur de tijd had om de maatregel om te zetten. De minister heeft dit echter pas op 10 maart 2025 gedaan. Hierdoor is de maatregel van 26 februari 2025 onrechtmatig geworden.
2.1.
De beroepsgrond slaagt. Volgens vaste rechtspraak dient de minister een maatregel van bewaring binnen 48 uur om te zetten naar een andere grondslag, wanneer deze niet meer op een juiste wettelijke grondslag berust. Uit het M35H formulier (de asielaanvraag van eiser) blijkt dat eiser op 5 maart 2025 asiel heeft aangevraagd. Dit betekent dat de minister uiterlijk op 7 maart 2025 de maatregel had moeten omzetten naar een andere grondslag. Dit is pas op 10 maart 2025 gebeurd, zodat de aan eiser op 26 februari 2025 opgelegde maatregel van bewaring met ingang van 8 maart 2025 niet langer op de juiste wettelijke grondslag heeft berust. Vanaf dat moment tot de omzetting op 10 maart 2025 heeft de bewaring onrechtmatig voortgeduurd.
Conclusie
3. Het beroep is gegrond, omdat deze maatregel vanaf 8 maart 2025 (tot de opheffing daarvan op 10 maart 2025) onrechtmatig heeft voortgeduurd. Dit leidt echter niet tot het opheffen van de maatregel van bewaring of het in vrijheid stellen van eiser, omdat deze maatregel van bewaring al is opgeheven en eiser aansluitend een nieuwe maatregel van bewaring is opgelegd. De nieuwe maatregel ligt niet ter beoordeling voor. De rechtbank kent wel een schadevergoeding toe voor drie dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel: 3 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 300.
3.1.
De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van €907 en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 300,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €907.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb. Den Haag, zp. Middelburg, 7 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3441.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 27 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:504.