Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:4981
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,674 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.8251 en NL25.8252
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),
en
de minister van Asiel en Migratie,
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 19 februari 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Beoordeling
Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Somalische nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1997 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser stelt dat het voornemen bestaat uit standaardtekstblokken, dit vormt een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Verweerder dient ook op de individuele argumenten van eiser in het gehoor in te gaan, deze te noemen en kenbaar te overwegen.
4.1
Eiser meent dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten geen nader medisch onderzoek te (laten) doen. Ook is eiser bang door Duitsland naar Somalië uitgezet te worden. Verweerder zou toepassing moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Standaard voornemen
5. Over de stelling van eiser dat verweerder heeft volstaan met stukken standaard-tekst uit eerdere voornemens en beschikkingen, overweegt de rechtbank dat het voornemen een voorbereidingshandeling is en een mededeling van feitelijke aard, die niet is gericht op enig rechtsgevolg. Eiser heeft door middel van het indienen van de zienswijze de gelegenheid om te reageren op het voornemen. Verder is verweerder in het besluit ingegaan op alle relevante elementen die tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag hebben geleid. Ook is in het bestreden besluit kenbaar ingegaan op de verklaringen van eiser in het aanmeldgehoor en wat hij in de zienswijze heeft aangevoerd. Voorts heeft de Afdeling geoordeeld dat een standaardvoornemen wel aan de vereisten voldeed.
Verantwoordelijke lidstaat
6. Ten aanzien van de stelling dat eiser bang is naar Somalië uitgezet te worden overweegt de rechtbank dat het in deze procedure alleen gaat om de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van het verzoek om internationale bescherming. Het gaat niet om de vraag of het verzoek om internationale bescherming moet worden ingewilligd. De asielmotieven kunnen in Duitsland naar voren worden gebracht en worden daar beoordeeld.
Medisch onderzoek
7. Eiser heeft geen medische stukken overlegd waaruit blijkt dat er sprake is van een ernstige lichamelijke of mentale aandoening waarbij de overdracht een reëel en bewezen risico zou inhouden op een aanzienlijke onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand. Verweerder heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien om een medisch onderzoek te starten.
Artikel 17 van de Dublinverordening
8. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder gehouden was gebruik te maken van diens discretionaire bevoegdheid overeenkomstig artikel 17 van de Dublinverordening. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat hetgeen eiser heeft aangevoerd, geen zodanig bijzondere, individuele omstandigheden betreffen dat deze maken dat zijn overdracht aan Duitsland van een zodanige onevenredige hardheid getuigt waardoor verweerder het asielverzoek aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd en zijn verklaringen zijn bovendien al betrokken in het kader van de vraag of er voor Duitsland nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden.
Conclusie
9. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
10. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van J. Dommerholt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Op grond van artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak met nummer ECLI:NL:RVS:2023:4348.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.