Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-25
ECLI:NL:RBDHA:2025:4869
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,334 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.11805
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [v-nummer:]
(gemachtigde: mr. P.J.J. van de Kerkhof),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. P.A.LA. van Ittersum).
Inleiding
1. De minister heeft op 26 januari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
1.3.
Eiser heeft hierop gereageerd.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 21 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van eiser en de minister deelgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling
2. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum].
3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
4. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 13 februari 2025 (in de zaak NL25.4404) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 7 februari 2025.
5. De gemachtigde van eiser heeft aangegeven geen concrete beroepsgronden naar voren te brengen en zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank.
6. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het algemeen of in het geval van eiser te oordelen dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko ontbreekt. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 14 november 2022 en 8 augustus 2023, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Marokko niet ontbreekt. Ook is niet gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten hebben aangegeven dat zij voor eiser in het bijzonder geen lp zullen afgeven.
6.1.
Op eiser rust bovendien de rechtsplicht Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer met zich, dat eiser actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting dient te verlenen. Niet is gebleken dat eiser aan deze verplichting voldoende invulling geeft. Ook om deze reden bestaat er op dit moment al voldoende zicht op uitzetting.
6.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Uit de voortgangsrapportage en wat op de zitting is besproken, blijkt dat sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure op 27 februari 2025 en 20 maart 2025 is gerappelleerd op de lp-aanvraag. Ook is op 25 februari 2025 een vertrekgesprek met eiser gevoerd en staat een vertrekgesprek gepland op 23 maart 2025. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.
6.3.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, 13 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1973.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269 en van 8 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3033.
Laissez-passer.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 13 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:85 en Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 2 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2210.