Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-24
ECLI:NL:RBDHA:2025:4760
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,263 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12331
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Habib-Portier),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 13 december 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft op 15 maart 2025 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 21 maart 2025 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1991 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 27 december 2024. Vervolgens heeft de rechtbank van verweerder een kennisgeving ontvangen over het voortduren van de maatregel. Deze kennisgeving is gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Verwezen wordt naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 10 maart 2025 met het zaaknummer: NL25.9777. Uit deze laatste uitspraak volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, 7 maart 2025, rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat de correspondentie in de zaak NL25.9777 (het vorige vervolgberoep) naar de infobox is gestuurd en niet via het bij de Nova, Rechtspraak en de eerdere KEI-procedure geregistreerde emailadres. Nu alle notificaties naar een onjuist adres zijn verstuurd, heeft eiser zijn belangen niet goed kunnen (laten) behartigen. Dit levert een schending van eisers belangen op waardoor eisers beroep gegrond dient te worden verklaard.
5. Als de bewaringsrechter de maatregel al eerder heeft getoetst (en rechtmatig heeft geacht), heeft de rechter er in beginsel bij een volgend (vervolg)beroep van uit te gaan dat de maatregel tot het moment van sluiten van het onderzoek in de eerdere zaak rechtmatig was. In de nieuwe procedure staat dan alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is. De rechtbank ziet in dit geval geen reden om van deze hoofdregel af te wijken. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 10 maart 2025 de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring ambtshalve getoetst. De rechtbank heeft in haar oordeel betrokken dat verweerder elke drie weken heeft gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten, dat er drie vertrekgesprekken hebben plaatsgevonden, dat de Algerijnse autoriteiten eisers nationaliteit hebben bevestigd, dat er een laissez-passer voor eiser zal worden afgegeven en dat er een vluchtaanvraag is gedaan. Eiser heeft ook niet nader geconcretiseerd welke belangen hij niet goed heeft kunnen (laten) behartigen doordat de correspondentie naar het algemene emailadres is gestuurd van het kantoor van de gemachtigde van eiser. De beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet.
6. Ook overigens is er geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 24 maart 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Met het kenmerk: ECLI:NL:RBDHA:2024:22154.
Met het kenmerk: ECLI:NL:RBDHA:2025:3619.