Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-07
ECLI:NL:RBDHA:2025:4749
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,329 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/310877-23 (dagvaarding I) en 09/282045-23 (dagvaarding II, ttz. gev.)
Datum uitspraak: 7 maart 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte]
,
geboren op [geboortedatum 1] 1989 te [geboorteplaats] , Marokko,
BRP-adres: [adres 1] ( [postcode] ) te [woonplaats] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 8 maart 2024, 6 juni 2024, 4 september 2024 (alle pro forma) en 21 februari 2025 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B. Verheesen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J.G.D. Rutten naar voren is gebracht.
2De tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 21 februari 2025 - ten laste gelegd dat:
Dagvaarding I
1
hij in de periode van 1 januari 2022 tot en met 22 november 2023 te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam en/of 's-Gravenzande en/of in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (telkens) heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
(telkens) een gebruikers hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een
materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de
Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel
3a van die wet;
2
hij op of omstreeks 22 november 2023 te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam
en/of 's-Gravenzande, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:
- 36,2 gram cocaïne (Kia Rio)
- 286,9 gram cocaïne (Hoek van Holland) en
- 47,4 gram cocaïne ('s-Gravenzande)
in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Dagvaarding II
hij op of omstreeks 24 mei 2023 te Poeldijk opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer (in totaal) 28,1 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
3De bewijsbeslissing
3.1.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Ten aanzien van dagvaarding I:
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het onderzoeksnummer DH5R023075, van de politie eenheid Den Haag, district Westland-Delft, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 1007).
De rechtbank gebruikt voor de feiten 1 en 2 de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 21 februari 2025.
De rechtbank gebruikt voor feit 1 de volgende bewijsmiddelen:
1. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 februari 2024 (p. 276-280);
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 september 2023 (p. 282-285);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 2 november 2023 (p. 346-348);
4. Het proces-verbaal van observatie woensdag 22 november 2023, opgemaakt op 23 november 2023 (p. 403-407).
De rechtbank gebruikt voor feit 2 de volgende bewijsmiddelen:
1. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 februari 2024 (p. 276-280);
2. Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming [adres 2] Hoek van Holland, opgemaakt op 23 november 2023 (p. 408-412);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, opgemaakt op 15 december 2023 (p. 634-639);
4. Het proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, opgemaakt op 4 januari 2024 (p. 640-647);
5. Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, opgemaakt op 23 november 2023 (p. 441-443);
6. Het proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, opgemaakt op 4 januari 2024 (p. 654-664);
7. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 november 2023 (p. 769-773);
8. Het proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, opgemaakt op 10 januari 2024 (p. 774-782).
Ten aanzien van dagvaarding II:
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2023155688, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 65).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 21 februari 2025;
2. Het proces-verbaal van aanhouding verdachte, opgemaakt op 23 mei 2023 (p. 26-28);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, opgemaakt op 21 augustus 2023 (p. 59-63).
3.2.
Bewijsoverweging
Ten aanzien van de hoeveelheden cocaïne die de verdachte voorhanden heeft gehad sluit de rechtbank aan bij de hoeveelheden zoals getest door het NFI.
Beoordeling
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft gedurende een periode van bijna twee jaar samen met anderen gehandeld in harddrugs. De verdachte stuurde de anderen daarbij aan. Bij de doorzoekingen in november 2023 zijn op drie verschillende plaatsen handelshoeveelheden cocaïne aangetroffen. In mei 2023 is bovendien bij de verdachte een hoeveelheid drugs in zijn auto aangetroffen, waarna hij werd aangehouden. Deze aanhouding heeft de verdachte er niet van weerhouden zich verder in te laten met drugs(handel). De rechtbank rekent de verdachte dit aan.
Het gebruik van en de handel in verdovende middelen vormen vanwege de schadelijke neveneffecten en het risico op verslaving een gevaar voor de volksgezondheid. De handel in drugs gaat veelal gepaard met verschillende vormen van criminaliteit, geweldsdelicten en illegale geldstromen, waarbij de drugshandel een belangrijke schakel vormt in de keten van criminele ondermijnende activiteiten die de samenleving ontwrichten.
De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan de hierboven beschreven schadelijke gevolgen. Met het plegen van deze feiten is de verdachte aan deze gevolgen volledig voorbij gegaan. Dit heeft hij aanvankelijk gedaan om, zoals hij zelf heeft verklaard, een ander “een hak te zetten”. Later is hij met de handel doorgegaan omdat hij enkel zijn eigen geldelijk gewin voor ogen had.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 21 januari 2025, waaruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren niet voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies over de verdachte van 12 februari 2025, waaruit volgt dat sprake is van een laag recidiverisico. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem op te leggen een voorwaardelijke straf met daaraan verbonden de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, een contactverbod met de mededaders en een inspanningsverplichting tot het behouden van werk. De reclassering adviseert geen gevangenisstraf op te leggen, omdat dit schadelijk zou zijn voor de door de verdachte ingezette opwaartse lijn, zowel voor zijn werk als voor zijn gezin. De reclasseringsmedewerker heeft ter zitting en in aanvulling op het advies nog toegelicht dat de verdachte impulsief kan zijn, wat een grote risicofactor is.
Strafmodaliteit en strafmaat
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (hierna: LOVS-oriëntatiepunten). Daarin is als uitgangspunt vermeld voor het verkopen van harddrugs op straat gedurende zes tot twaalf maanden een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden. Verder is als uitgangspunt vermeld voor het aanwezig hebben van 200 tot 500 gram harddrugs een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, en is het uitgangspunt voor het verkopen van dergelijke hoeveelheden een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
Alles afwegende acht de rechtbank, conform hetgeen de officier van justitie heeft gevorderd, een gevangenisstraf van 660 dagen passend en geboden, met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht (288 dagen volgens de berekening van de rechtbank). De rechtbank zal een deel van die straf, te weten 372 dagen, voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van drie jaren. Om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken zal de rechtbank daaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden. Daarbij merkt de rechtbank op dat het contactverbod enkel ziet op de mededaders [mededader 1] en [mededader 2] . De rechtbank merkt verder op dat dit contactverbod niet ziet op contact met mededader [mededader 3] , nu dit zijn partner is en hij met haar de zorg draagt over hun twee kinderen.
Anders dan de officier van justitie heeft geëist, ziet de rechtbank aanleiding om naast voornoemde gevangenisstraf aan de verdachte een taakstraf op te leggen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking de ernst van de feiten en het gegeven dat deze feiten een gevangenisstraf van een langere duur rechtvaardigen dan de verdachte tot nu toe in voorlopige hechtenis heeft gezeten. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het advies van de reclassering acht de rechtbank het echter niet wenselijk om verdachte terug naar de gevangenis te sturen en kiest zij (in plaats daarvan) voor het opleggen van een taakstraf voor de maximale duur van 240 uren.
7De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1 en 2 en de bij dagvaarding II ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I - feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
ten aanzien van dagvaarding I - feit 2:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
ten aanzien van dagvaarding II:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 660 (ZESHONDERDZESTIG) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 372 (DRIEHONDERDTWEEËNZEVENTIG) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met:
[mededader 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1984;
[mededader 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2005;
zolang de reclassering dit verbod nodig acht;
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland, op het adres Marconistraat 2 te Rotterdam op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;
- zich inspant om zijn huidige, of soortgelijke werkzaamheden, te behouden;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf voor de tijd van 240 (TWEEHONDERDVEERTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 120 (HONDERDTWINTIG) DAGEN;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.R. Aaron, voorzitter,
mr. P. van Essen, rechter,
mr. P. Burgers, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. S. ten Voorde en L.C. Vos, griffiers.
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 maart 2025.