Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:4501
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
735 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.50278
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker]
, V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. E.A. Welling),
en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. N. Ulutas).
Procesverloop
Bij besluit van 9 december 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, tezamen met de zaak NL24.50277, op 5 maart 2025 op zitting behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Jama. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Verzoeker stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2006.
2. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL24.50277, heeft de rechtbank uitspraak gedaan. Het beroep is gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Dit betekent dat de minister een nieuw besluit moet nemen. Als gevolg hiervan heeft verzoeker van rechtswege verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
3. Gelet op de uitkomst van de bodemzaak veroordeelt de voorzieningenrechter de minister wel in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten voor de door een derde
beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €907,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van €907,00 en een wegingsfactor 1).
Dictum
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van €907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
18 maart 2025
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.