Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-17
ECLI:NL:RBDHA:2025:4439
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,982 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.4604
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. D. van Elp),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. mr. R.S. Helmus).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 28 januari 2025 niet in behandeling genomen omdat Polen verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL25.4605, op 10 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiser, bijgestaan door mr. C.T.W. van Dijk als waarnemer van de gemachtigde van eiser, deelgenomen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 8 november 2024 bij Polen een verzoek om terugname gedaan. Polen heeft dit verzoek op 12 november 2024 aanvaard.
Kan de minister voor Polen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser betoogt dat de minister ten aanzien van Polen niet langer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Volgens eiser zijn er voldoende aanknopingspunten waaruit blijkt dat Polen ten aanzien van de asielprocedure en rechtsbijstand zijn verplichtingen niet nakomt. Ondanks dat de minister in het bestreden besluit verwijst naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) waarin het meest recente AIDA-rapport is betrokken, neemt dit volgens eiser niet weg dat de Poolse autoriteiten zich schuldig maken aan pushbacks en dit ook blijven doen ondanks de herhaaldelijke verzoeken van mensenrechtenorganisaties en niet-gouvernementele organisatie (NGO’s) om dat niet te doen. Dit toont volgens eiser aan dat Polen zich niet veel aantrekt van mensenrechten. Eiser is zelf ook slachtoffer geweest van pushbacks en stelt dat hij in Polen ook racistisch is bejegend door onder meer de politie.
Verder betwist eiser dat hij over de tekortkomingen in de asielprocedure in Polen kan klagen bij de Poolse autoriteiten. Daar komt bij dat ook de rechtsbijstand in Polen ondermaats is en niet voldoet aan de eisen zoals deze zijn neergelegd in de Procedurerichtlijn. Uit het AIDA-rapport blijkt dat volgens NGO’s de rechtsbijstand Polen onvoldoende is, omdat alleen in de ‘tweede fase’ gefinancierde rechtsbijstand wordt verleend. De minister heeft – gelet op het AIDA-rapport – onvoldoende gemotiveerd waarom het ontbreken van rechtsbijstand in de ‘eerste fase’ van de asielprocedure niet in strijd is met de Procedurerichtlijn. Uit de praktijk blijkt zelfs dat slechts een klein deel van de asielzoekers rechtsbijstand verleend krijgt. Het onthouden van rechtsbijstand maakt volgens eiser dat sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure. Gezien het voorgaande had de minister volgens eiser nader onderzoek moeten doen.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat de minister op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont of dat eiser bij overdracht een reel risico loopt op pushbacks.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om dit aannemelijk te maken. De Afdeling heeft – zoals eiser in zijn betoog ook aanhaalt – in de uitspraak van 4 september 2024 geoordeeld dat de minister ten aanzien van Polen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dit uitgangspunt heeft de Afdeling daarna nog bevestigd. De rechtbank verwijst daarnaast naar het oordeel van de meervoudige kamer van deze zittingsplaats in de uitspraak van 2 juni 2022 en de uitspraken van deze zittingsplaats van 16 januari 2024 en 2 juli 2024. Ook in die uitspraken is de vraag of voor Polen nog kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel bevestigend beantwoord. In deze uitspraken is onder andere ingegaan op de toegang tot de asielprocedure en pushbacks in Polen. Daarbij is het AIDA-rapport 2023 betrokken. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de situatie in Polen sinds bovengenoemde uitspraken evident slechter is geworden. Dat de situatie volgens hem ook niet is verbeterd, is onvoldoende om aan te nemen dat inmiddels niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat pushbacks ook plaatsvinden bij Dublinterugkeerders volgt niet uit het AIDA-rapport 2024. De minister heeft zich verder deugdelijke gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de gestelde ervaringen van eiser in Polen niet voldoende zijn om te concluderen dat niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Daarnaast heeft eiser niet onderbouwd dat hij geen mogelijkheid heeft om te klagen over eventuele schendingen en problemen in de asielprocedure. Ook is niet gebleken dat de (hogere) Poolse autoriteiten hem niet zouden willen helpen als hij zou klagen of dat klagen bij voorbaat zinloos is.
Verder volgt uit de Procedurerichtlijn dat lidstaten alleen gratis rechtsbijstand moeten bieden als sprake is van een (beroeps)procedure tegen de beslissing op de asielaanvraag. In andere gevallen kunnen lidstaten gratis rechtsbijstand bieden, maar zijn zij daartoe niet verplicht. Eiser heeft van de Poolse autoriteiten nog geen beslissing op een asielaanvraag ontvangen. Daarom zijn de Poolse autoriteiten ook nog niet gehouden om aan eiser voorafgaand aan de beslissing op de aanvraag gratis rechtsbijstand te verstrekken. Lidstaten kunnen vervolgens bepalen dat de kosteloze rechtsbijstand niet wordt aangeboden wanneer het beroep volgens de rechterlijke instantie geen reële kans van slagen heeft. De asielprocedure in Polen is op dit punt dus niet in strijd met de Procedurerichtlijn. De omstandigheid dat in Nederland ruimere mogelijkheden voor gefinancierde rechtsbijstand bestaan is niet voldoende om tot een andere conclusie te komen.
Verder heeft eiser niet onderbouwd dat hij geen rechtsbijstand zou kunnen krijgen als hij een klachtprocedure wil starten. Ook blijkt uit het door eiser aangehaalde AIDA-rapport 2024 dat een asielzoeker in de beroepsfase van de procedure recht heeft op gratis rechtsbijstand. In het AIDA-rapport 2024 staat dat gratis rechtsbijstand is verleend in alle gevallen waarin daarom is verzocht. Uit dat wat eiser naar voren heeft gebracht volgt daarom niet dat geen rechtsbijstand mogelijk is en er dus sprake is van structurele tekortkomingen in de rechtsbijstand.
Gezien het voorgaande had de minister geen aanleiding hoeven zien nader onderzoek te doen naar de asiel- en opvangomstandigheden in Polen. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht aan zich moeten trekken?
6. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende motiveert waarom zijn asielaanvraag niet op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling wordt genomen. Volgens eiser zijn de eerdere ervaringen in Polen relevant bij de beoordeling of sprake is van bijzondere individuele omstandigheden. Eiser heeft verklaard dat hij in Polen is mishandeld en racistisch is benaderd. Eiser begrijpt niet dat de minister in het bestreden besluit stelt dat dit geen relevante omstandigheden zijn. Eiser voegt hieraan toe dat de toets of sprake is van een schending van het interstatelijk vertrouwensbeginsel of dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden in de zin van artikel 17 van de Dublinverordening aanzienlijk verschilt.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling is genomen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
ABRvS 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455 en ABRvS 2 december 2024, ECLI:NR:RVS:2024:4946.
Het AIDA-rapport over Polen van juni 2024 (update-2023).
Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser naar het AIDA-rapport over Polen van juni 2024 (update-2023), p. 20 en 21.
Het AIDA-rapport over Polen van juni 2024 (update-2023), p. 32.
Het AIDA-rapport over Polen van juni 2024 (update-2023), p. 31.
ABRvS 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455.
ABRvS 2 december 2024, ECLI:NR:RVS:2024:4946.
Rb. Den Haag (zp Arnhem) 2 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:5327.
Rb. Den Haag (zp Arnhem) 16 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:378.
Rb. Den Haag (zp Arnhem) 2 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:10213.
Dat staat in artikel 20, eerste lid, van de Procedurerichtlijn.
Dat staat in artikel 20, tweede lid, van de Procedurerichtlijn.
Dat staat in artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn
ABRvS 27 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1816.
Het AIDA-rapport over Polen van juni 2024 (update-2023), p. 31, 36 en 39.
Het AIDA-rapport over Polen van juni 2024 (update-2023), p. 32.
Eiser verwijst naar het verslag gehoor aanmeldfase, p. 5 en 7.
Eiser verwijst naar ABRvS 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, r.o. 6.3.
Rb Den Haag, zittingsplaats Roermond, 12 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:10838.
Rb Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, 2 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:76, r.o. 7.3.
ABRvS 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1860.
ABRvS 2 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4941.
ABRvS 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717.