Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-19
ECLI:NL:RBDHA:2025:4328
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,490 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.9953
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. F.A. Broersma),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. G.M. Bouius).
Procesverloop
1. Bij besluit van 1 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 maart 2025, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. De gemachtigde van eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen. Ook is daar een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
2. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .
3. De minister heeft de maatregel gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a (a-grond) en b (b-grond), van de Vw. Als aan de daarvoor gestelde eisen is voldaan, is elk van deze gronden afzonderlijk voldoende om de maatregel te kunnen dragen. In dit verband stelt de minister zich op het standpunt dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (a-grond) en op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag, wegens het risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen (b-grond). De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
(zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
(lichte gronden)
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
3.1.
De minister heeft ter zitting de lichte grond 4e laten vallen.
3.2.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
3.3.
Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
5. Volgens eiser is onduidelijk op welke grondslag hij in bewaring is gesteld, omdat de maatregel van bewaring is gebaseerd op twee grondslagen, namelijk artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en onder b, van de Vw. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Eiser is in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000. Blijkens het eerste lid kan een vreemdeling met rechtmatig verblijf in bewaring worden gesteld op basis van de a-. b-. c- en d-grond, maar is ook een combinatie van deze gronden mogelijk. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de bewaring op dit punt onrechtmatig te achten.
5.1.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de maatregel terecht op basis van de a-grond van artikel 59b van de Vw is opgelegd. Voor de a-grond van artikel 59b van de Vw is vereist dat de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee bewaringsgronden voordoen. De minister stelt in de maatregel van bewaring terecht dat er onvoldoende zekerheid bestaat over de identiteit en nationaliteit van eiser, omdat hij niet beschikt over documenten ter vaststelling daarvan. Dit is door eiser niet betwist.
5.2.
De rechtbank is bovendien van oordeel dat ook artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw terecht aan de maatregel ten grondslag is gelegd. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat met een deugdelijke motivering van het bestaan van een risico op onttrekking aan het toezicht ook gegeven is dat een maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat anders die gegevens niet zouden kunnen worden verkregen. Ook dit is door eiser niet betwist.
Gronden
6. De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden 3a, 3d, 3e, 4c en 4d in samenhang gezien en gelet op de motivering in de maatregel voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat er een risico op onttrekking bestaat. Voor zover van belang merkt de rechtbank nog op dat het door eiser genoemde “significant risico op onttrekking” slechts van toepassing is wanneer een maatregel op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw wordt opgelegd.
6.1.
De rechtbank oordeelt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020 volgt dat, om de gronden 3a, 3d, en 3e aan de maatregel ten grondslag te kunnen leggen, voldoende is dat deze gronden feitelijk juist zijn.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser de feitelijke juistheid van de zware gronden 3d en 3e niet heeft betwist. De rechtbank oordeelt dat de zware grond 3a feitelijk juist is. Nu eiser niet beschikt over een geldig reisdocument en/of visum, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij op de voorgeschreven wijze Nederland is binnengekomen. Dat een vreemdeling als asielzoeker inreist, doet aan de feitelijke juistheid van deze grond niet af. Daarnaast heeft eiser geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland en beschikt hij niet over (eigen) voldoende middelen van bestaan. Dat eiser vanwege zijn asielaanvraag opvang zou kunnen genieten bij het COa en daar ook zakgeld zou ontvangen, maakt dat oordeel niet anders. De rechtbank laat de beoordeling van de rechtmatigheid van grond 3i onbesproken, omdat de hiervoor genoemde zware en lichte gronden de maatregel kunnen dragen.
Lichter middel
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding heeft moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarend handelen
8. De termijn in artikel 59b, tweede lid, van de Vw moet worden gezien als een maximale termijn waarbinnen de minister voldoende voortvarend moet handelen om ervoor te zorgen dat eiser voor een zo kort mogelijke termijn in bewaring wordt gehouden. De rechtbank stelt vast dat eiser ter zitting desgevraagd heeft aangegeven dat op 14 maart 2025, voorafgaand aan onderhavige zitting, een begin is gemaakt met een asielgehoor en dat het gehoor zal worden voorgezet zodra de zitting is afgerond. De rechtbank ziet dan ook geen reden om te oordelen dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan de behandeling van de asielaanvraag gedurende de inbewaringstelling van eiser.
Zicht op uitzetting
9. Tot slot stelt de rechtbank vast dat de Afdeling in de uitspraak van 6 juni 2016 heeft overwogen dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
R. de Boer, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie bijvoorbeeld de Afdelingsuitspraak van 6 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4011.
Afdelingsuitspraak van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
Afdelingsuitspraak van 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1156.
ECLI:NL:RVS:2016:1552.