Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:4247
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,562 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12422
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.H.T. van Boxmeer),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Weerman).
Procesverloop
Bij besluit van 12 december 2024 heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Bij uitspraak van 30 december 2024 heeft deze rechtbank, met toepassing van artikel 8:54 van de Awb, het beroep van verzoeker tegen het besluit van verweerder van 12 december 2024 ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft bij brief van 16 januari 2025 tegen deze uitspraak verzet gedaan. Hij heeft de voorzieningenrechter bij brief van 12 maart 2025 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij de behandeling van het verzet in Nederland mag afwachten.
Verweerder heeft op 17 maart 2025 een reactie gegeven op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ook tijdens een verzetsprocedure als bedoeld in artikel 8:55 van de Awb kan een voorlopige voorziening worden gevraagd.
2. Ingevolge artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan indien onverwijlde spoed dat vereist een zitting achterwege blijven. Daarvoor bestaat in dit geval aanleiding.
3. Gebleken is dat verzoeker op 19 maart 2025 om 12:45 uur zal uitreizen naar Kroatië in verband met zijn overdracht aan de Kroatische autoriteiten. Daarmee heeft verzoeker een spoedeisend belang bij zijn verzoek.
4. De rechtbank heeft in de uitspraak van 30 december 2024, samengevat, overwogen dat verweerder ten aanzien van Kroatië kan uitgaan van het interstatelijk
vertrouwensbeginsel en dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht als Dublinclaimant een reëel risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder in de omstandigheden van verzoeker geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
5. Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn verzoek om voorlopige voorziening opgemerkt dat hij de behandeling van het verzet in Nederland wil kunnen afwachten en hij verwijst daarbij naar de persoonlijke omstandigheden van hem en zijn broer. De voorzieningenrechter maakt hieruit op dat verzoeker onder verwijzing naar zijn verzetsgronden meent dat de rechtbank niet tot kennelijke oordeel heeft kunnen komen dat zijn beroep ongegrond is. Verzoeker heeft in verzet aangevoerd dat het voornemen bestaat uit standaardoverwegingen en dat daarin niet individueel en concreet gemotiveerd is ingegaan op de door verzoeker aangevoerde individuele omstandigheden. Het voornemen voldoet om die reden niet aan de zorgvuldigheidsvereisten. Verweerder heeft volgens verzoeker onvoldoende gemotiveerd dat hij geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
6. In de verzetsprocedure dient de rechtbank uitsluitend te beoordelen of in de uitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. De voorzieningenrechter wijst op de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2021 waar het toetsingskader in verzet is uitgelegd. ”Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan moet de verzetsrechter het verzet gegrond verklaren zodat nader onderzoek kan plaatsvinden”.
7. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter geven de door verzoeker aangevoerde verzetsgronden over het voornemen en over de toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening geen aanleiding voor twijfel aan het kennelijke oordeel van de rechtbank. Gelet hierop moet worden verwacht dat de rechtbank het verzet van verzoeker ongegrond zal verklaren.
8. Voor zover verzoeker verwijst naar de (medische) omstandigheden van zijn broer, overweegt de voorzieningenrechter dat het door verzoekers broer ingediende verzoek om een voorlopige voorziening bij gelijktijdige uitspraak van de voorzieningenrechter is afgewezen.
9. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding tot het treffen van de door verzoeker gevraagde voorlopige voorziening.
10. Verzoeker krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 18 maart 2025 door mr. J.F.I. Sinack, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Algemene wet bestuursrecht.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 december 2004, NJB 2005/31.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondenrechten van de Europese Unie
Verordening (EU) 604/2013.
ECLI:NL:RVS:2021:84.
Zie de uitspraak van de voorzieningenrechter in de procedure NL25.12416.