Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-16
ECLI:NL:RBDHA:2025:400
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,512 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/5388
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2025 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. A. Bakker).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een huisvestingsvergunning.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 18 december 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 april 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van verweerder. Vervolgens heeft de rechtbank het beroep aangehouden omdat verweerder heeft aangegeven te willen onderzoeken of in dit geval de hardheidsclausule kan worden toegepast.
1.4.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft partijen gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet opnieuw behandeld op een zitting.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2. Eiseres heeft op 27 november 2023 een aanvraag voor een huisvestingsvergunning ingediend voor de woonruimte [adres] te [plaats]. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat het inkomen van eiseres niet in redelijke verhouding staat tot de huurprijs van de woonruimte. Het totale huishoudinkomen van eiseres bedraagt €52.763,00 per jaar terwijl het toegestane maximum inkomen bij deze huurklasse €44.035,00 is.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Verweerder had eiseres moeten informeren over de vereisten voor een huisvestingsvergunning. Doordat zij niet op de hoogte is gesteld, wist zij niet dat zij een huisvestingsvergunning moest aanvragen. Van andere huurders heef eiseres gehoord dat zij eerder een brief van verweerder hebben ontvangen. Als eiseres eerder was geïnformeerd dan zou zij de huisvestingsvergunning in 2022 hebben aangevraagd. Zij voldeed toen aan de vereisten. Verder heeft eiseres na het ontvangen van het besluit aan verweerder uitgelegd dat zij haar inkomen voor 2023 verkeerd hebben berekend. Verweerder heeft deze uitleg echter genegeerd en is uitgegaan van de verkeerde berekening.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen. Hierbij overweegt de rechtbank het volgende.
4.1.
Op grond van artikel 2:3, derde lid van de Huisvestingsverordening 2023 komen woningzoekenden slechts in aanmerking voor een huisvestingsvergunning voor woonruimte met een aanvangshuurprijs onder de huurprijsgrens, als het huishoudinkomen over het inkomenstoetsjaar niet hoger is dan de inkomensgrens van €44.035,00.
4.2.
Eiseres heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat het door verweerder vastgestelde inkomen onder het toegestane maximum inkomen zit. Uit de overgelegde belastinggegevens blijkt dat het inkomen van eiseres in 2023 €47.768,- is. Hoewel dit bedrag lager is dan het door verweerder uitgerekende bedrag, is dit bedrag nog steeds hoger dan de inkomensgrens van €44.035,00.
4.3.
Ook de stelling van eiseres dat als zij had geweten dat zij een huisvestingsvergunning had moeten aanvragen dit in 2022 zou hebben gedaan, omdat haar inkomen toen niet hoger was dan de inkomensgrens, volgt de rechtbank niet. Het gestelde inkomen van eiseres in dat jaar van €41.696,- was hoger dan de inkomensgrens die toen gold, namelijk €40.765,-. Indien eiseres in 2025 aan de voorwaarden voldoet, kan zij een nieuwe aanvraag indienen.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag voor een huisvestingsvergunning terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht.
Zoals vermeld in artikel 16 Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 die in 2023 gold.
Zoals vermeld in artikel 16 Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 die in 2022 gold.