Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-10
ECLI:NL:RBDHA:2025:3976
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,039 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.5378
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (de aanvraag). Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 4 februari 2025 niet in behandeling genomen omdat Polen verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling
1. De rechtbank beantwoordt allereerst ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep.
2. Indien een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, dient er in beginsel van uit te worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Op basis van een melding dat de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken (‘mob-melding’) mag het beroep dus niet-ontvankelijk worden verklaard wegens gebrek aan belang. Dit is anders als een vreemdeling na die melding nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus kan worden aangenomen dat hij nog prijs stelt op bescherming in Nederland. Het voorgaande volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de richtinggevende uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
3. Het is de rechtbank uit informatie van eisers beroepsdossier, met het kenmerk NL25.8595, ambtshalve gebleken dat eiser Frankrijk is ingereisd en daar op 10 februari 2025 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft, desgevraagd, de rechtbank bij brief van 4 maart 2025 te kennen gegeven dat eiser in het Indigo-systeem sinds 5 februari 2025 geregistreerd staat als ‘Zelfstandig woonruimte verlaten’. Eiser is dus met onbekende bestemming vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft, desgevraagd, de rechtbank op 4 maart 2025 te kennen gegeven dat zij geen contact meer heeft met eiser, niet gemachtigd is om het beroep in te trekken en de rechtbank verzoekt om uitspraak te doen aan de hand van de stukken in het dossier.
4. Gelet op de mob-melding en de omstandigheid dat eiser geen contact meer onderhoudt met zijn gemachtigde, moet ervan worden uitgegaan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
Conclusie
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een beoordeling van de beroepsgronden. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Feijtel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.