Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:3964
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Verzet
1,365 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8623 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2025 op het verzet van
[opposant]
, uit [woonplaats], opposant,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 19 december 2024 in het geding tussen
opposant
en
het college van burgemeester en wethouders van Leiden, het college.
Inleiding
Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 19 december 2024 waarin de rechtbank het beroep van opposant gegrond heeft verklaard.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Beoordeling
1. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 19 december 2024 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep kennelijk gegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van opposant
3. Het beroep van opposant ging over de hervatting van de inhouding op zijn uitkering in verband met een daarop gelegd beslag, in die zin dat vanaf september 2024 een bedrag van € 40,50 per maand op zijn uitkering zou worden ingehouden. Het college heeft opposants bezwaar hiertegen niet-ontvankelijk verklaard, op de grond dat de brief van 22 augustus 2024 waarin die hervatting van de inhouding aan hem werd meegedeeld, geen besluit inhield als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tegen die brief stond volgens het college daarom geen bezwaar open.
4. Eiser heeft tegen de beslissing op bezwaar van 29 oktober 2024 beroep ingesteld.
De uitspraak van 19 december 2024
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond geacht. Hieraan lag ten grondslag dat de rechtbank van oordeel was dat de brief van het college inzake de hervatting van de inhouding op de uitkering wel het karakter van een besluit had. Die inhouding leidde er immers toe dat opposant (opnieuw) een lagere uitkering kreeg. Verder was het ingehouden bedrag ook gewijzigd. Dat de inhouding op de uitkering direct voortvloeide uit een gelegd beslag leidde niet tot een ander oordeel. Eiser kon volgens de rechtbank dan ook tegen de brief van 22 augustus 2024 bezwaar maken.
6. De rechtbank heeft vervolgens het beroep gegrond verklaard en zelf in de zaak voorzien door opposants bezwaar ongegrond te verklaren. De rechtbank heeft daaraan ten grondslag gelegd dat niet ter beoordeling voorlag of bevoegdelijk rechtmatig en voor een juist bedrag beslag op de bijstandsuitkering van opposant was gelegd. De rechtbank was verder van oordeel dat het college bij het uitvoeren van het beslag was gebleven binnen het kader van het beslag. Verder was rekening gehouden met de regels over de beslagvrije voet. De uitkering die opposant ontving was daarom niet lager dan de voor hem geldende beslagvrije voet.
7. Omdat opposant met zijn bezwaar niet kon bereiken dat de inhouding op zijn uitkering ongedaan werd gemaakt, heeft de rechtbank daarom zijn bezwaar daartegen ongegrond verklaard.
De gronden van verzet
8. Opposant heeft in verzet niets aangevoerd op grond waarvan de rechtbank tot de conclusie komt dat het beroep van opposant ten onrechte vereenvoudigd is afgedaan. Opposant heeft met zijn gronden van verzet voornamelijk getracht de rechtsgeldigheid en omvang van de hoofdsom, waarvoor beslag is gelegd, opnieuw aan de orde te stellen. De verzetsmogelijkheid heeft echter alleen betrekking op de vraag of de bestuursrechter terecht tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan. Verzet levert dus geen behandeling ten gronde van de hoofdzaak op.
9. Opposants gronden slagen niet.
Conclusie
10. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 19 december 2024. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. Bergman, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
ECLI:NL:RBDHA:2024:21726
zie voetnoot 2
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).