Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-07
ECLI:NL:RBDHA:2025:3448
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,501 tokens
Inleiding
[]RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.8872
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 26 oktober 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 3 maart 2025 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1964.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring en het voortduren daarvan al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 november 2024, 19 december 2024 en 29 januari 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan de laatste uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of vanaf 22 januari 2025 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat de belangenafweging in zijn voordeel zou moeten uitvallen. Hij is op 7 maart 2024 gepresenteerd in persoon en op 17 mei 2024 schriftelijk gepresenteerd. Zijn nationaliteit en identiteit zijn al vastgesteld. Na een jaar kan niet worden geoordeeld dat er nog zicht is op uitzetting naar Algerije binnen redelijke termijn. Eiser is van mening dat er, gelet op het tijdsverloop, vanuit moet worden gegaan dat het onderzoek naar de identiteit niets heeft opgeleverd of dat de autoriteten andere redenen hebben om geen lp te willen afgegeven aan eiser. Verder stelt eiser dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn vertrek, omdat na een dusdanig lang onderzoek niet op zaaksniveau wordt gerappelleerd. Eiser heeft zelf inspanningen verricht om informatie te krijgen over de stand van zaken, door twee e-mailberichten te sturen naar de Algerijnse autoriteiten. Tot slot verzoekt eiser mee te wegen dat eiser altijd in Rotterdam heeft verbleven, daar alle wijkagenten kennen en te vinden is in de daklozenopvang aan de ’s-Gravendijkwal of in de Pauluskerk en daar dus traceerbaar is voor verweerder.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Allereerst zijn er geen aanknopingspunten dat zicht op uitzetting naar Algerije in algemene zin ontbreekt. Hierbij wordt verwezen naar een uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2024 en 15 juli 2024. Verder heeft verweerder in het verweerschrift vermeld dat er van 1 januari 2024 tot en met 30 november 2024 in totaal 116 lp’s zijn afgegeven door de Algerijnse autoriteiten. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat in zijn geval zicht op uitzetting ontbreekt. Dat er nog niet is gereageerd op de rappels, dat zijn nationaliteit en identiteit al zijn bevestigd, is onvoldoende om op voorhand te kunnen concluderen dat de Algerijnse autoriteiten zullen weigeren een lp aan eiser te verstrekken.
Daarbij heeft eiser zelf tot op heden geen aantoonbare inspanningen verricht om zijn vertrek te bespoedigen. Zo heeft hij geen pogingen ondernomen om met zijn broers in Algerije in contact te komen die hem wellicht kunnen helpen documenten te verkrijgen. De verzoeken aan de Algerijnse ambassade om informatie te verstrekken over de status van de lp-aanvraag zijn als zodanig niet gericht op het daadwerkelijke vertrek van eiser.
6. Verweerder werkt voldoende voortvarend aan het vertrek van eiser. Er worden vertrekgesprekken gevoerd met eiser (het laatste vertrekgesprek is gevoerd op 4 februari 2025) en er wordt regelmatig gerappelleerd. Er zijn nog geen zes maanden verstreken sinds het opleggen van de huidige maatregel van bewaring. De rechtbank ziet in het tijdsverloop dan ook geen reden om van verweerder te verwachten op zaaksniveau te rappelleren.
7. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 7 maart 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:NL:RBDHA:2024:18267.
ECLI:NL:RBDHA:2024:21624.
ECLI:NL:RBDHA:2025:1009.
Laissez-passer.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2024:1892.
ECLI:NL:RVS:2024:2642.
Hof van Justitie van de Europese Unie 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.