Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:3045
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,426 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/1567
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
18 februari 2025 in de zaak tussen
Stichting Bewonersorganisatie Bouwlust-Vrederust, uit Den Haag, eiseres(gemachtigde: K.A.G. de Winter)
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. M.C. Remeijer-Schmitz).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: WOM Den Haag Zuidwest B.V. uit
Den Haag, vergunninghoudster
(gemachtigde: mr. M.M. Pielage).
Inleiding
Met het bestreden besluit van 29 december 2023, bekendgemaakt op 10 januari 2024, heeft verweerder een omgevingsvergunning tweede fase verleend voor het bouwen van 132 appartementen en een half verdiepte parkeergarage met 74 plekken op de locatie Beresteinlaan ongenummerd gelegen tussen Hoogveen en Laagveen, in Den Haag.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2025 op zitting behandeld. Namens eiseres zijn verschenen haar gemachtigde en [naam 1]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 2]. Namens vergunninghoudster zijn de gemachtigde en [naam 3] verschenen.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
1.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 21 juli 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.
2. De rechtbank constateert dat de beroepsgronden van eiseres betrekking hebben op de omgevingsvergunning eerste fase, terwijl deze beroepsprocedure gericht is tegen de omgevingsvergunning tweede fase. Met de omgevingsvergunning eerste fase is toestemming verleend voor afwijking van het bestemmingsplan, op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Eiseres had op kunnen komen tegen dat besluit en haar beroepsgronden over bijvoorbeeld de MER, het parkeren en détournement de procédure op dat moment aan de orde kunnen stellen. Zij heeft dat niet gedaan en de omgevingsvergunning eerste fase is inmiddels onherroepelijk geworden. De omgevingsvergunning tweede fase die in deze beroepsprocedure centraal staat, ziet op de toestemming voor het bouwen van een bouwwerk en het uitvoeren van werken of werkzaamheden, op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a en b, van de Wabo. De beroepsgronden van eiseres hebben geen betrekking op de voor deze activiteiten geldende weigeringsgronden in artikel 2.10 en 2.11 van de Wabo.
2.1.
De rechtbank ziet ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat er sprake is van ongeoorloofde belangenverstrengeling. De door eiseres bedoelde deelname van de gemeente in de WOM Den Haag Zuidwest is daarvoor onvoldoende. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
2.2.
Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning tweede fase in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
3. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2025 door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van mr.M.M. Wesselo, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.