Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-26
ECLI:NL:RBDHA:2025:3007
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,173 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.7172
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. J. van Appia),
en
de Minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. K. Bruin).
Procesverloop
De minister heeft op 2 januari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Senegalese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 23 januari 2025 (in de zaak NL25.230) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Over wat eiser aanvoert overweegt de rechtbank als volgt.
Zicht op uitzetting en het voortvarendheidsvereiste
5. In het geval van eiser blijkt uit de voortgangsgegevens dat de minister op 7 januari 2025 een aanvraag om afgifte van een laissez passer (lp) heeft ingediend bij de Senegalese autoriteiten, welke aanvraag in onderzoek is genomen. Dit onderzoek loopt nog en de minister rappelleert regelmatig bij de Senegalese autoriteiten in verband met de afgifte van een lp ten behoeve van eisers uitzetting, laatstelijk op 6 februari 2025. Verder heeft op 12 februari 2025 een presentatie in persoon bij de Senegalese ambassade in Nederland plaats gehad. De Senegalese autoriteiten hebben niet kenbaar gemaakt geen lp te zullen verstrekken ten behoeve van eisers uitzetting. Daarnaast heeft de minister op 5 en op 17 februari 2025 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Gelet al hierop, is naar het oordeel van de rechtbank het zicht op de uitzetting van eiser naar Senegal vooralsnog aanwezig en werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Op eiser rust de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Niet gebleken is dat eiser hieraan in voldoende mate invulling heeft gegeven. Uit met name het verslag van het laatstelijk met eiser gevoerde vertrekgesprek komt naar voren dat eiser uitdrukkelijk heeft verklaard niet te zullen meewerken aan zijn uitzetting. De beroepsgronden slagen niet.
Ambtshalve toetsing
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van
N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
26 februari 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.