Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-30
ECLI:NL:RBDHA:2025:2944
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,447 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.40000 en NL24.40002
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser 1]
, met V-nummer: [V-nummer]
[eiser 2]
, met V-nummer: [V-nummer]
hierna gezamenlijk: eisers
(gemachtigde: mr. H.T. Gerbrandy),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres hebben ingediend, omdat de minister niet op tijd heeft beslist op hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).
Overwegingen
1. De rechtbank vindt een zitting niet nodig en heeft partijen gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
Zijn de beroepen van eisers ontvankelijk en gegrond?
3. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt op de aanvraag van het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw in beginsel binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven.3
4. In artikel 42, zesde lid, van de Vw is bepaald dat, indien in het kader van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw wordt onderzocht of de aanvraag op grond van artikel 30 van de Vw niet in behandeling dient te worden genomen, de termijn bedoeld in het eerste lid van artikel 42 van de Vw aanvangt op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.
1. Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2 en 6:12 van de Awb.
3 Artikel 42, eerste lid, van de Vw.
5. Eiseres heeft op 25 juni 2023 haar asielaanvraag in Nederland ingediend. Op 16 augustus 2023 heeft de minister Frankrijk verzocht eiseres op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening over te nemen. De Franse autoriteiten hebben dit verzoek geaccepteerd op 16 oktober 2023. Op grond van artikel 29, eerste lid , van de Dublinverordening dient Nederland eiseres uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het verzoek door Frankrijk, over te dragen.
6. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet tijdig is overgedragen en dat de minister op 17 april 2024 verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van het asielverzoek van eiseres.
7. Eiser heeft eveneens op 25 juni 2023 zijn asielaanvraag in Nederland ingediend. Op 22 september 2023 heeft de minister Frankrijk verzocht eiser op grond van het beginsel van respect voor het familieleven - dat volgt uit de Dublinverordening - over te nemen. De Franse autoriteiten hebben op 22 november 2023 laten weten dat zij hiermee niet akkoord gaan. Op 17 april 2024 heeft de minister laten weten dat de asielaanvraag van eiser verder behandeld zal worden in de nationale procedure en dat het claimverzoek dat is ingediend bij de autoriteiten van Frankrijk wordt ingetrokken.
8. Bovenstaande betekent dat de minister met toepassing van artikel 42, eerste lid, van de Vw, uiterlijk op 17 oktober 2024 op de aanvragen had moeten beslissen. Sinds 27 januari 2023 is het besluit met kenmerk WBV 2023/3 van kracht.4 Dit besluit heeft tot gevolg dat de beslistermijnen van asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2023 tot 1 januari 2024 met negen maanden zijn verlengd. De asielaanvragen van eisers vallen onder het toepassingsbereik van dit besluit. De beslistermijn in deze zaken is dus met negen maanden verlengd. De termijn om te beslissen op de aanvragen was daarom nog niet verstreken toen zij op 27 september 2024 de ingebrekestellingen indienden bij de minister. De ingebrekestellingen zijn daarmee prematuur. Dat maakt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen door de minister.
__________
4 Staatscourant van 26 januari 2023, nr. 3235.
9. De beroepen zijn daarom niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van M.M. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 januari 2025
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.