Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-13
ECLI:NL:RBDHA:2025:2859
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,393 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.50998 (beroep) en NL24.50999 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. E.H. Bokhorst),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 19 december 2024 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Beoordeling
Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Nigeriaanse nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1980 geboren te zijn. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser stelt dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is genomen, nu verweerder de door eiser gestelde problemen met een mensensmokkelaar in Frankrijk niet zou hebben betwist. Eiser voert aan dat verweerder op grond van artikel 17 van de Dublinverordening de behandeling van de asielaanvraag naar zich toe had moeten trekken en zijn beslissing om hiervan af te zien onvoldoende heeft gemotiveerd. Eiser betoogt dat de overdracht aan Frankrijk zou getuigen van een onevenredige hardheid en dat de Franse autoriteiten hem niet kunnen helpen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Voor zover eiser meent dat verweerder de door hem gestelde problemen met een mensensmokkelaar in Frankrijk niet heeft betwist, ziet de rechtbank daarin – los van de vraag of van een betwisting sprake is – geen aanleiding om het beroep op basis hiervan gegrond te verklaren, nu verweerder eisers verklaringen over de door hem gestelde situatie met de mensensmokkelaar in zijn beslissing heeft meegenomen. Verweerder is daarbij uitgegaan van het juiste beoordelingskader en heeft zijn beslissing voldoende gemotiveerd.
6. Over eisers standpunt dat zijn asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in behandeling genomen had moeten worden, overweegt de rechtbank dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Dit houdt in dat verweerder er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat Frankrijk zich houdt aan de verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Eiser heeft zijn standpunt dat hij niet kan klagen bij de (hogere) Franse autoriteiten niet aannemelijk gemaakt en onvoldoende onderbouwd. Van eiser mag worden verwacht dat hij zich bij voorkomende problemen wendt tot de Franse (hogere) autoriteiten.
7. Nederland kan een asielaanvraag inhoudelijk in behandeling nemen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening indien de asielzoeker op basis van bijzondere, individuele omstandigheden aannemelijk maakt dat overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat in dit geval van een onevenredige hardheid getuigt. Verweerder heeft hierbij veel beslissingsruimte. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op grond van de in het bestreden besluit gegeven motivering op het standpunt heeft mogen stellen dat er geen aanleiding bestaat om de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen. De beroepsgrond slaagt dus niet.
Conclusie
8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.
Dictum
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.