Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-17
ECLI:NL:RBDHA:2025:2856
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,307 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.222 (beroep) en NL25.223 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 1 januari 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Beoordeling
Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Tunesische nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1984 geboren te zijn. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser voert – kortgezegd – aan dat verweerder het bestreden besluit onzorgvuldig heeft genomen, nu het claimakkoord na het voornemen is uitgebracht. Eiser meent dat verweerder hiermee de wettelijke voornemenprocedure onzorgvuldig heeft doorlopen. Eiser benadrukt dat de voornemenprocedure essentieel is om eisers standpunt kenbaar te maken voordat een definitief besluit wordt genomen en verwijst tevens naar een uitspraak van de hoogste bestuursrechter om het belang van een zorgvuldige toepassing van de voornemenprocedure te illustreren.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. Met betrekking tot de vraag of verweerder het bestreden besluit zorgvuldig heeft genomen, oordeelt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft het voornemen uitgebracht op 17 december 2024. Duitsland heeft op diezelfde dag het claimverzoek geaccepteerd. Eiser is op 19 december 2024 hiervan op de hoogte gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen rechtsregel aan te wijzen die eraan in de weg staat om een voornemen uit te brengen voordat de betrokken lidstaat het claimverzoek heeft geaccepteerd. Eiser heeft in zijn zienswijze de mogelijkheid gekregen om tegen het voornemen op te komen en zijn belangen kenbaar te maken. Daarbij komt dat een voornemen geen definitief besluit is en verweerder relevante ontwikkelingen na een voornemen alsnog kan meewegen in de uiteindelijke besluitvorming. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft kunnen maken hoe hij door deze handelswijze van verweerder in zijn belangen is geschaad. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Eisers verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling treft hierbij geen doel. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
7. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.
Dictum
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 oktober 2023 ECLI:NL:RVS:2023:3819.
Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 oktober 2023 ECLI:NL:RVS:2023:3819.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.