Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-11-13
ECLI:NL:RBDHA:2025:27996
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/6151 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2025 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: L.A.V. Hernandez), en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verweerder (gemachtigde: mr. M. Santing). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de herziening en terugvordering van de aan haar toegekende studiefinanciering over enkele maanden van het jaar 2023. 1.1. Met de primaire besluiten van 22 januari 2024 heeft verweerder de aan eiseres in de maanden februari 2023 tot en met december 2023 toegekende studiefinanciering voor een aantal maanden ingetrokken en teruggevorderd. Met het primaire besluit van 10 februari 2024 heeft verweerder eiseres een ov-boete opgelegd van € 1.302,48,-, omdat zij over een aantal maanden in 2023 met haar studentenreisproduct heeft gereisd, terwijl zij daarop geen recht had. Met het bestreden besluit van 8 mei 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij zijn primaire besluiten gebleven. 1.2. Eiseres heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 6 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Eiseres heeft via een videoverbinding deelgenomen aan de zitting. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiseres (geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteland] , met de Italiaanse nationaliteit en sinds 2017 in het bezit van een vergunning tot verblijf voor onbepaalde tijd voor Aruba) is een burger van één van de lidstaten van de Europese Unie (EU). Zij heeft op 17 januari 2023 een gewijzigde aanvraag studiefinanciering ingediend voor haar studie in het hoger onderwijs (voltijd hbo bachelor Hotelschool in Den Haag). Eiseres werkt naast haar studie als zelfstandige. In de maanden februari 2023 tot en met december 2023 heeft zij studiefinanciering ontvangen op grond van de Wsf 2000. Wat heeft verweerder besloten? 3. Verweerder heeft de toegekende studiefinanciering over de maanden februari 2023 tot en met december 2023 deels herzien, omdat zij niet voldoet aan de nationaliteitseis. Achteraf is gebleken dat zij onvoldoende omzet heeft gemaakt. Voor 2023 gold dat er een omzet van € 1.793,49 per kwartaal of € 597,83 per maand moest zijn behaald. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiseres aan het EU-recht geen recht op studiefinanciering kan ontlenen. Zij kan als zelfstandige niet worden gelijkgesteld met een migrerend werknemer, omdat zij in 2023 niet heeft voldaan aan het omzetvereiste. Ook verbleef zij niet al vijf jaar in Nederland. Wat voert eiseres aan in beroep? 4. Eiseres voert aan dat verweerder haar aanspraak op studiefinanciering over het jaar 2023 ten onrechte heeft herzien, dan wel heeft teruggevorderd. Het was voor haar niet duidelijk aan welke norm zij moest voldoen. Zij stelt dat zij hierover in december 2023 heeft gebeld en geen duidelijkheid heeft kunnen krijgen. 4.1. Eiseres voert verder aan dat zij, ook als zij niet als zelfstandige kan worden aangemerkt, aanspraak heeft op studiefinanciering vanwege haar verblijf op Aruba. Zij verwijst naar de arresten Bidar en Fröster. Zij is genoeg geïntegreerd in Nederland. Het bestreden besluit is daarom in strijd met het zorgvuldig- en het rechtszekerheidsbeginsel. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. 5.1. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omvang van het geding 6. Bij vier afzonderlijke besluiten van 22 januari 2024 is de toekenning van de studiefinanciering v Verweerder heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat als de bijstandsnorm voor 2023 voor eiseres onduidelijk was, het op haar weg hierover eerder dan in december 2023 contact op te nemen . 13.2. Het beroep van eiseres op het rechtszekerheidsbeginsel slaagt daarom niet. Het beroep op de door eiseres aangehaalde jurisprudentie kan haar niet baten. Verweerder heeft terecht gewezen op de eigen verantwoordelijkheid van eiseres om goed geïnformeerd te zijn over de norm(en) waaraan zij moet voldoen. Is sprake van een ongelijke behandeling? 14. Het Hof heeft bepaald, mede gelet op artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn 2004/38/EG, dat verleende financiële steun ter dekking van kosten van levensonderhoud onder het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit valt. Dergelijke steun aan studenten mag echter wel worden gekoppeld aan het bestaan van een zekere mate van integratie in de samenleving van de ontvangende lidstaat door het stellen van de voorwaarde van een periode van voorafgaand onafgebroken duurzaam verblijf van vijf jaar aldaar. 14.1. Eiseres voert aan dat zij, ook als zij niet als zelfstandige kan worden aangemerkt, aanspraak heeft op studiefinanciering vanwege haar verblijf op Aruba. Een economisch inactieve unieburger kan een recht op studiefinanciering ontlenen aan het non-discriminatiebeginsel van artikel 18 van het VWEU, mits sprake is van een zekere mate van integratie in de ontvangstlidstaat. Zij betoogt dat het stellen van die eis van vijf jaar in haar geval niet mag. Zij heeft de Italiaanse nationaliteit, maar is geboren en opgegroeid in Aruba. Zij is binnen het Koninkrijk der Nederlanden opgegroeid, sprak Nederlands en heeft ook Nederlandstalig onderwijs genoten. Haar verblijf in Aruba moet volgens haar dan ook worden gelijkgesteld met verblijf in Nederland. Van een “zekere mate van integratie” is zonder meer sprake. Ter ondersteuning van haar betoog wijst eiseres op de hiervoor aangehaalde arresten Bidar en Fröster. Ook beroept eiseres zich op artikel 24 van de Verblijfsrichtlijn 2004/38/EG. 14.2. Van belang is allereerst dat het verbod op discriminatie voortkomt uit het Unierecht. Het is – in de Nederlandse context – bedoeld om discriminatie op grond van nationaliteit van iemand met de nationaliteit van een andere lidstaat (in het geval van eiseres: de Italiaanse) in Nederland te voorkomen. Het door het Hof gehanteerd criterium van “een zekere mate van integratie” is daarmee geen nationale norm, maar een criterium dat voortkomt uit Europese rechtspraak. Het Hof heeft geoordeeld dat een voorwaarde van vijf jaar ononderbroken verblijf op het grondgebied van de lidstaat geschikt is om te garanderen dat de aanvrager in de ontvangende lidstaat is geïntegreerd. 14.3. Hoewel de rechtbank de vergelijking die eiseres maakt zeker begrijpt, stelt verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat Aruba als LGO geen onderdeel uitmaakt van het grondgebied van de EU-lidstaat Nederland. Haar verblijf in Aruba kan daarom niet worden gelijkgesteld met een verblijf (van meer dan vijf jaar) in Nederland en daarmee niet als “een zekere mate van integratie”. Verweerder was daarom niet gehouden om eiseres op grond van het unierechtelijke verbod van discriminatie studiefinanciering toe te kennen. De door eiseres ingeroepen arresten geven de rechtbank geen grond om tot een ander oordeel te komen. Conclusie en gevolgen 15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr.J.R. van Veen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger