Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-22
ECLI:NL:RBDHA:2025:27949
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,075 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:27949 text/xml public 2026-05-01T14:47:01 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-05-22 NL24.47485 en NL24.47486 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27949 text/html public 2026-05-01T14:18:57 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:27949 Rechtbank Den Haag , 22-05-2025 / NL24.47485 en NL24.47486 Vreemdelingenrecht regulier; verblijfsverunning met verblijfsdoel 'tijdelijk humanitair'; aangifte mensenhandel; verweerder mag na een sepotbeslissing handelen conform paragraaf B8/3 Vc (ECLI:NL:RVS:2018:3309); geen aanleiding voor toepassing art. 4:84 Awb; beroep ongegrond; voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL24.47485 en NL24.47486 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser], [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. R.S. Frickus), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. D. Gigengack). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. 1.1. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 7 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 november 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.2. Verweerder heeft zich daags voor de zitting afgemeld. Wel heeft verweerder op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en P.A. Duijvekam als tolk in de Engelse taal. Daarbij heeft eiser ter zitting de rechtbank verzocht om de zaak voor minimaal drie maanden aan te houden in afwachting van de uitkomst van de klachtprocedure bij het Gerechtshof. De rechtbank heeft dit verzoek ter zitting afgewezen omdat hier geen aanleiding toe wordt gezien. Hiervoor verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 6. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2001 en heeft de Gambiaanse nationaliteit. Op 11 augustus 2024 heeft hij een asielaanvraag gedaan in Nederland. Deze aanvraag van eiser is door verweerder niet in behandeling genomen omdat België verantwoordelijk is voor zijn aanvraag op grond van de Dublinovereenkomst. Eiser is dus een Dublinclaimant. Hiertegen heeft eiser in een aparte procedure beroep ingesteld bij deze rechtbank, die momenteel nog loopt. 2.1. Op 26 september 2024 heeft eiser aangifte gedaan als slachtoffer van mensenhandel bij de politie. Bij de brief van 7 oktober 2024 heeft de officier van justitie van het OM aan eiser laten weten dat er geen vervolging ingezet zal worden naar aanleiding van zijn aangifte. Het is daarom ook niet noodzakelijk dat eiser daarvoor in Nederland blijft. 2.2. Bij het besluit van 7 oktober 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten eiser geen verblijfsvergunning voor het doel ‘tijdelijk humanitair’ (de verblijfsvergunning) te geven. Gelet op de brief van 7 oktober 2024 is eisers aanwezigheid in Nederland voor het OM niet vereist. Daarom voldoet eiser niet aan de voorwaarden voor de verblijfsvergunning. Met het bestreden besluit van 27 november 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser hiertegen kennelijk ongegrond verklaard. Wat vindt eiser in beroep? 3. Eiser stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onjuist is gemotiveerd. Hiertoe voert eiser aan dat hem in afwijking van het beleid een verblijfsvergunning verleend moet worden vanwege bijzondere individuele omstandigheden. Eiser is namelijk slachtoffer van mensenhandel en heeft in Italië gedwongen gehandeld in verdovende middelen. Hij vreest dat hij in Gambia hiervoor vervolgd zal worden. Hierbij is van belang dat hier in Gambia zeer hoge straffen op staan, de autoriteiten niet worden gecontroleerd op de eventuele onrechtmatigheid van hun gebruik van geweld en de omstandigheden in de gevangenissen daar mensonterend zijn. Daar komt bij dat eiser vreest voor vervolging vanwege zijn homoseksuele geaardheid waarvoor hij in België ook is mishandeld in het opvangcentrum. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat, omdat hij op 17 december 2024 een klaagschrift heeft ingediend bij het Gerechtshof in Den Haag, de mogelijkheid bestaat dat het OM alsnog wordt opgedragen vervolging in te stellen. In dat geval herleeft het verblijfsrecht van eiser. Dit geeft voldoende aanleiding om de zaak van eiser voor zes maanden aan te houden. Wat vindt verweerder in beroep? 4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit rechtens juist is genomen omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van paragraaf B8/3.1, onder 2 en 3, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). De door eiser ingestelde klacht maakt het besluit niet anders omdat de klachtprocedure sinds 1 augustus 2012 geen rechtmatig verblijf meer genereert en er is (vooralsnog) geen sprake van een gegrond beklag. Verder blijft verweerder bij zijn standpunt dat hij niet op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan afwijken van artikel 3.48 van het Vb omdat dit een algemeen verbindend voorschrift is. Eiser kan daarbij zijn eventuele vrees voor een terugkeer naar Gambia in zijn asielprocedure naar voren brengen. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. Eiser heeft in de beroepsgronden gesteld dat hij ten onrechte geen bedenktijd heeft gehad, maar heeft deze beroepsgrond op zitting laten vallen. Ook beroept eiser zich niet langer op paragraaf B9/12 van de Vc voor het toekennen van een verblijfsvergunning op grond van bijzondere individuele omstandigheden. Dat betekent dat de rechtbank deze gronden niet meer zal behandelen. Wel handhaaft eiser zijn standpunt dat de klachtprocedure bij het Gerechtshof afgewacht moet worden en dat verweerder in de omstandigheden aanleiding had moeten zien om van zijn beleid af te wijken op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Klachtprocedure 6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de uitkomst van de door eiser gestarte klachtprocedure als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) niet heeft hoeven afwachten. De rechtbank verwijst hiervoor naar een uitspraak van de hoogste bestuursrechter. Uit deze uitspraak volgt dat verweerder, na een sepotbeslissing van het Openbaar Ministerie – ook als door de vreemdeling een artikel 12 Sv-procedure is gestart – mag handelen conform het beleid in paragraaf B8/3 van de Vc. Verweerder mocht dus na de brief van 7 oktober 2024 van het OM beoordelen of eiser voldoet aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning. Bovendien dateert eisers klaagschrift van 17 december 2024, dus van na het bestreden besluit van 27 november 2024. Verweerder had daar dan ten tijde van het bestreden besluit dus geen rekening mee hoeven en kunnen houden. Dit is voor de rechtbank dan ook redengevend geweest om het verzoek ter zitting van eiser tot aanhouding van het beroep in afwachting van de beslissing van het Gerechtshof, af te wijzen. Artikel 4:84 van de Awb 7. Verder is naar oordeel van de rechtbank niet gebleken dat verweerder aanleiding heeft hoeven zien om af te wijken van zijn beleid op grond van artikel 4:84 van de Awb. De rechtbank stelt voorop dat de bijzondere individuele omstandigheden die eiser aanvoert primair zien op mogelijke gevolgen bij terugkeer naar Gambia. Nog afgezien van het feit dat verweerder in het bestreden besluit niet van eiser verwacht dat hij teruggaat naar Gambia, zijn dit omstandigheden die thuis horen in de asielprocedure. De mishandeling die eiser in België ervaren heeft kan in de Dublinprocedure worden ingebracht, voor zover dit niet al is gedaan. Verder heeft de rechtbank onder rechtsoverweging 6 reeds overwogen dat verweerder geen rekening heeft hoeven houden met de klachtprocedure bij het Gerechtshof.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:27949 text/xml public 2026-05-01T14:47:01 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-05-22 NL24.47485 en NL24.47486 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27949 text/html public 2026-05-01T14:18:57 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:27949 Rechtbank Den Haag , 22-05-2025 / NL24.47485 en NL24.47486 Vreemdelingenrecht regulier; verblijfsverunning met verblijfsdoel 'tijdelijk humanitair'; aangifte mensenhandel; verweerder mag na een sepotbeslissing handelen conform paragraaf B8/3 Vc (ECLI:NL:RVS:2018:3309); geen aanleiding voor toepassing art. 4:84 Awb; beroep ongegrond; voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL24.47485 en NL24.47486 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser], [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. R.S. Frickus), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. D. Gigengack). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. 1.1. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 7 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 november 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.2. Verweerder heeft zich daags voor de zitting afgemeld. Wel heeft verweerder op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en P.A. Duijvekam als tolk in de Engelse taal. Daarbij heeft eiser ter zitting de rechtbank verzocht om de zaak voor minimaal drie maanden aan te houden in afwachting van de uitkomst van de klachtprocedure bij het Gerechtshof. De rechtbank heeft dit verzoek ter zitting afgewezen omdat hier geen aanleiding toe wordt gezien. Hiervoor verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 6. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2001 en heeft de Gambiaanse nationaliteit. Op 11 augustus 2024 heeft hij een asielaanvraag gedaan in Nederland. Deze aanvraag van eiser is door verweerder niet in behandeling genomen omdat België verantwoordelijk is voor zijn aanvraag op grond van de Dublinovereenkomst. Eiser is dus een Dublinclaimant. Hiertegen heeft eiser in een aparte procedure beroep ingesteld bij deze rechtbank, die momenteel nog loopt. 2.1. Op 26 september 2024 heeft eiser aangifte gedaan als slachtoffer van mensenhandel bij de politie. Bij de brief van 7 oktober 2024 heeft de officier van justitie van het OM aan eiser laten weten dat er geen vervolging ingezet zal worden naar aanleiding van zijn aangifte. Het is daarom ook niet noodzakelijk dat eiser daarvoor in Nederland blijft. 2.2. Bij het besluit van 7 oktober 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten eiser geen verblijfsvergunning voor het doel ‘tijdelijk humanitair’ (de verblijfsvergunning) te geven. Gelet op de brief van 7 oktober 2024 is eisers aanwezigheid in Nederland voor het OM niet vereist. Daarom voldoet eiser niet aan de voorwaarden voor de verblijfsvergunning. Met het bestreden besluit van 27 november 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser hiertegen kennelijk ongegrond verklaard. Wat vindt eiser in beroep? 3. Eiser stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onjuist is gemotiveerd. Hiertoe voert eiser aan dat hem in afwijking van het beleid een verblijfsvergunning verleend moet worden vanwege bijzondere individuele omstandigheden. Eiser is namelijk slachtoffer van mensenhandel en heeft in Italië gedwongen gehandeld in verdovende middelen. Hij vreest dat hij in Gambia hiervoor vervolgd zal worden. Hierbij is van belang dat hier in Gambia zeer hoge straffen op staan, de autoriteiten niet worden gecontroleerd op de eventuele onrechtmatigheid van hun gebruik van geweld en de omstandigheden in de gevangenissen daar mensonterend zijn. Daar komt bij dat eiser vreest voor vervolging vanwege zijn homoseksuele geaardheid waarvoor hij in België ook is mishandeld in het opvangcentrum. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat, omdat hij op 17 december 2024 een klaagschrift heeft ingediend bij het Gerechtshof in Den Haag, de mogelijkheid bestaat dat het OM alsnog wordt opgedragen vervolging in te stellen. In dat geval herleeft het verblijfsrecht van eiser. Dit geeft voldoende aanleiding om de zaak van eiser voor zes maanden aan te houden. Wat vindt verweerder in beroep? 4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit rechtens juist is genomen omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van paragraaf B8/3.1, onder 2 en 3, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). De door eiser ingestelde klacht maakt het besluit niet anders omdat de klachtprocedure sinds 1 augustus 2012 geen rechtmatig verblijf meer genereert en er is (vooralsnog) geen sprake van een gegrond beklag. Verder blijft verweerder bij zijn standpunt dat hij niet op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan afwijken van artikel 3.48 van het Vb omdat dit een algemeen verbindend voorschrift is. Eiser kan daarbij zijn eventuele vrees voor een terugkeer naar Gambia in zijn asielprocedure naar voren brengen. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. Eiser heeft in de beroepsgronden gesteld dat hij ten onrechte geen bedenktijd heeft gehad, maar heeft deze beroepsgrond op zitting laten vallen. Ook beroept eiser zich niet langer op paragraaf B9/12 van de Vc voor het toekennen van een verblijfsvergunning op grond van bijzondere individuele omstandigheden. Dat betekent dat de rechtbank deze gronden niet meer zal behandelen. Wel handhaaft eiser zijn standpunt dat de klachtprocedure bij het Gerechtshof afgewacht moet worden en dat verweerder in de omstandigheden aanleiding had moeten zien om van zijn beleid af te wijken op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Klachtprocedure 6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de uitkomst van de door eiser gestarte klachtprocedure als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) niet heeft hoeven afwachten. De rechtbank verwijst hiervoor naar een uitspraak van de hoogste bestuursrechter. Uit deze uitspraak volgt dat verweerder, na een sepotbeslissing van het Openbaar Ministerie – ook als door de vreemdeling een artikel 12 Sv-procedure is gestart – mag handelen conform het beleid in paragraaf B8/3 van de Vc. Verweerder mocht dus na de brief van 7 oktober 2024 van het OM beoordelen of eiser voldoet aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning. Bovendien dateert eisers klaagschrift van 17 december 2024, dus van na het bestreden besluit van 27 november 2024. Verweerder had daar dan ten tijde van het bestreden besluit dus geen rekening mee hoeven en kunnen houden. Dit is voor de rechtbank dan ook redengevend geweest om het verzoek ter zitting van eiser tot aanhouding van het beroep in afwachting van de beslissing van het Gerechtshof, af te wijzen. Artikel 4:84 van de Awb 7. Verder is naar oordeel van de rechtbank niet gebleken dat verweerder aanleiding heeft hoeven zien om af te wijken van zijn beleid op grond van artikel 4:84 van de Awb. De rechtbank stelt voorop dat de bijzondere individuele omstandigheden die eiser aanvoert primair zien op mogelijke gevolgen bij terugkeer naar Gambia. Nog afgezien van het feit dat verweerder in het bestreden besluit niet van eiser verwacht dat hij teruggaat naar Gambia, zijn dit omstandigheden die thuis horen in de asielprocedure. De mishandeling die eiser in België ervaren heeft kan in de Dublinprocedure worden ingebracht, voor zover dit niet al is gedaan. Verder heeft de rechtbank onder rechtsoverweging 6 reeds overwogen dat verweerder geen rekening heeft hoeven houden met de klachtprocedure bij het Gerechtshof.