Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-22
ECLI:NL:RBDHA:2025:27947
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,724 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:27947 text/xml public 2026-05-01T15:21:35 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-05-22 NL24.48302 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27947 text/html public 2026-05-01T15:21:11 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:27947 Rechtbank Den Haag , 22-05-2025 / NL24.48302 Vreemdelingenrecht regulier; verblijfsverunning met verblijfsdoel 'familie en gezin'; toetsing aan art. 8 EVRM; verweerder heeft af kunnen zien van horen in bezwaar, nu niet is gebleken dat eisers in bezwaar voldoende inspanningen hebben verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en overleggen; niet gebleken dat eisers vrijgesteld zijn/hadden moeten worden van het mvv-vereiste; beroep op art. 3.71, lid 3, Vb slaagt niet; beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL24.48302 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], [V-nummer 1], eiseres, [eiser] , [V-nummer 2], eiser, samen: eisers (gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh) en de minister van Asiel en Migratie, verweerder Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag om een verblijfsvergunning met verblijfsdoel ‘familie en gezin’. 1.1. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 16 februari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 november 2024 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.2. Verweerder heeft niet op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Enkele weken voor de zitting heeft verweerder zich daarvoor afgemeld. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, eiser, hun gemachtigde en T. Mehrian als tolk. Daarbij zijn ook twee dochters van eiseres verschenen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 1947 en heeft de Iraanse nationaliteit. 2.1. Eiser is geboren op [geboortedatum 2] 1971 en heeft de Iraanse nationaliteit. Hij is de zoon van eiseres. 2.2. Eisers hebben op 18 november 2013 een asielaanvraag gedaan in Nederland. Deze aanvraag is door verweerder afgewezen met het besluit van 30 september 2014. Het beroep dat eisers hiertegen hadden ingediend hebben ze ingetrokken, waardoor het besluit in rechte vast staat. 2.3. Bij het besluit van 13 april 2023 is aan eisers – na een bezwaar tegen de eerdere afwijzing van 27 oktober 2022 – een visum voor kort verblijf afgegeven. Sinds hun aankomst in Nederland hebben eisers verbleven bij [referente], de dochter van eiseres en de zus van eiser. 2.4. Op 10 oktober 2023 hebben eisers een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’ (de aanvraag). Eisers wensen te verblijven bij referente die de Nederlandse nationaliteit heeft. Daarnaast hebben eisers nog een dochter/zus ([naam 1]) en een zoon/broer ([naam 2]) in Nederland wonen. 2.5. Bij het besluit van 16 februari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers afgewezen. Verweerder stelt zich hiervoor op het standpunt dat eisers geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) hebben en daardoor niet aan het mvv-vereiste voldoen. Eisers hebben daarbij onvoldoende medische informatie overgelegd om een BMA -advies op te kunnen vragen, waardoor zij ook niet vrijgesteld kunnen worden van het mvv-vereiste op medische gronden. Verder neemt verweerder in het kader van artikel 8 van het EVRM geen beschermenswaardig familieleven aan, omdat er geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eisers en referente. De belangenafweging valt in het nadeel van eisers uit, er is geen sprake van privéleven in Nederland en het besluit om eisers terug te sturen getuigt niet van onevenredige hardheid. Met het bestreden besluit van 7 november 2024 is verweerder bij zijn afwijzing gebleven en heeft hij het bezwaar van eisers kennelijk ongegrond verklaard. 2.6. Op 13 maart 2024 hebben eisers een nieuwe asielaanvraag in Nederland gedaan. Hier was ten tijde van de zitting door verweerder nog niet op beslist. Wat vinden eisers in beroep? 3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en stellen zich op het standpunt dat dit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Zo voeren eisers aan dat verweerder hun bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard en hen ten onrechte niet heeft gehoord. Zij stellen wel nieuwe informatie in bezwaar te hebben ingebracht en in een gehoor had verweerder de mate van afhankelijkheid kunnen vaststellen om in de beoordeling mee te nemen. Eisers zien zich hierdoor benadeeld. Daarnaast stelt verweerder hen ten onrechte niet vrij van het mvv-vereiste. Eisers stellen voorop dat zij voldoende medische informatie hebben overgelegd en de arts van BMA kan zo nodig aanvullende informatie opvragen. Verweerder wacht daarbij ten onrechte het advies van MediFirst in de asielprocedure niet af terwijl dit een ook een begin van een medisch dossier vormt. Ook getuigt het van onevenredige hardheid om van eisers te verwachten dat zij voor de aanvraag van een mvv naar Iran terugkeren terwijl verweerder hun asielaanvraag nog niet heeft beoordeeld. Ten aanzien van de beoordeling in het kader van artikel 8 van het EVRM stellen eisers zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte geen bijkomende elementen van afhankelijkheid aanneemt. Eiser is gehandicapt en eiseres is oud en ziek. Zij behoren verzorgd te worden door hun familie. Hun gezondheid gaat daarbij achteruit en dit moet verweerder ex nunc beoordelen. Daarnaast is door verweerder ten onrechte geen rekening gehouden met het belang van de (klein)kinderen om hun oom en grootmoeder hier te hebben. Verweerder heeft hierbij geen verklaring gegeven over waarom Nederlandse grootouders wel familieleven mogen uitoefenen met hun Nederlandse kleinkinderen, maar Iraanse grootouders niet met hun Nederlands kleinkinderen. Eisers zien hierin een schending van het gelijkheidsbeginsel. Wat is het oordeel van de rechtbank? Hoorplicht 4. Verweerder mag op grond van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) slechts van horen in bezwaar afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat gebeurt alleen als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren van de vreemdeling tegen het primaire besluit, niet kunnen leiden tot een ander besluit. In de keuze om af te zien van horen moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval. 4.1. Het uitgangspunt is desalniettemin dat verweerder in bezwaar hoort en dat zij terughoudend omgaat met het afzien hiervan. Vooral in zaken waarin artikel 8 van het EVRM een rol speelt. Wanneer er onduidelijkheid bestaat over het feitencomplex of niet alle relevante informatie is overgelegd door de vreemdeling, komt bijzonder belang toe aan het uitgangspunt dat een vreemdeling in bezwaar wordt gehoord. 4.2. Verweerder heeft in het bestreden besluit tegengeworpen dat eisers in bezwaar geen nieuwe (medische) bewijsstukken of informatie hebben ingebracht dat tot een ander oordeel kan leiden. Daarbij was het medisch dossier niet compleet, wat eisers wordt verweten, dus is verweerder ook niet in staat geweest om een BMA-advies op te vragen. Verweerder heeft op basis daarvan besloten om – in overeenstemming met de werkinstructie (WI) 2022/20 en de eerder genoemde uitspraak van 6 juli 2022 – het bezwaar kennelijk ongegrond te verklaren en heeft eisers niet gehoord. 4.3. Eisers hebben onder andere aangevoerd dat zij kampen met medische problematiek en mede daardoor afhankelijk zijn van de (dagelijkse) zorg van referente en familie. Vooral nu de vader van het gezin enkele jaren geleden is overleden. Zo kampt eiseres met diabetes, hoge bloeddruk, beginnende dementie, beperkt zicht in haar linkeroog en heeft ze kort na haar aankomst in Nederland een beroerte gehad. Ook is zij aan een rolstoel gebonden. Eiser is daarnaast verstandelijk gehandicapt en lijdt aan epilepsie. Beiden krijgen voor hun klachten de nodige medicatie.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:27947 text/xml public 2026-05-01T15:21:35 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-05-22 NL24.48302 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27947 text/html public 2026-05-01T15:21:11 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:27947 Rechtbank Den Haag , 22-05-2025 / NL24.48302 Vreemdelingenrecht regulier; verblijfsverunning met verblijfsdoel 'familie en gezin'; toetsing aan art. 8 EVRM; verweerder heeft af kunnen zien van horen in bezwaar, nu niet is gebleken dat eisers in bezwaar voldoende inspanningen hebben verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en overleggen; niet gebleken dat eisers vrijgesteld zijn/hadden moeten worden van het mvv-vereiste; beroep op art. 3.71, lid 3, Vb slaagt niet; beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL24.48302 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], [V-nummer 1], eiseres, [eiser] , [V-nummer 2], eiser, samen: eisers (gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh) en de minister van Asiel en Migratie, verweerder Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag om een verblijfsvergunning met verblijfsdoel ‘familie en gezin’. 1.1. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 16 februari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 november 2024 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.2. Verweerder heeft niet op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Enkele weken voor de zitting heeft verweerder zich daarvoor afgemeld. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, eiser, hun gemachtigde en T. Mehrian als tolk. Daarbij zijn ook twee dochters van eiseres verschenen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 1947 en heeft de Iraanse nationaliteit. 2.1. Eiser is geboren op [geboortedatum 2] 1971 en heeft de Iraanse nationaliteit. Hij is de zoon van eiseres. 2.2. Eisers hebben op 18 november 2013 een asielaanvraag gedaan in Nederland. Deze aanvraag is door verweerder afgewezen met het besluit van 30 september 2014. Het beroep dat eisers hiertegen hadden ingediend hebben ze ingetrokken, waardoor het besluit in rechte vast staat. 2.3. Bij het besluit van 13 april 2023 is aan eisers – na een bezwaar tegen de eerdere afwijzing van 27 oktober 2022 – een visum voor kort verblijf afgegeven. Sinds hun aankomst in Nederland hebben eisers verbleven bij [referente], de dochter van eiseres en de zus van eiser. 2.4. Op 10 oktober 2023 hebben eisers een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’ (de aanvraag). Eisers wensen te verblijven bij referente die de Nederlandse nationaliteit heeft. Daarnaast hebben eisers nog een dochter/zus ([naam 1]) en een zoon/broer ([naam 2]) in Nederland wonen. 2.5. Bij het besluit van 16 februari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers afgewezen. Verweerder stelt zich hiervoor op het standpunt dat eisers geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) hebben en daardoor niet aan het mvv-vereiste voldoen. Eisers hebben daarbij onvoldoende medische informatie overgelegd om een BMA -advies op te kunnen vragen, waardoor zij ook niet vrijgesteld kunnen worden van het mvv-vereiste op medische gronden. Verder neemt verweerder in het kader van artikel 8 van het EVRM geen beschermenswaardig familieleven aan, omdat er geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eisers en referente. De belangenafweging valt in het nadeel van eisers uit, er is geen sprake van privéleven in Nederland en het besluit om eisers terug te sturen getuigt niet van onevenredige hardheid. Met het bestreden besluit van 7 november 2024 is verweerder bij zijn afwijzing gebleven en heeft hij het bezwaar van eisers kennelijk ongegrond verklaard. 2.6. Op 13 maart 2024 hebben eisers een nieuwe asielaanvraag in Nederland gedaan. Hier was ten tijde van de zitting door verweerder nog niet op beslist. Wat vinden eisers in beroep? 3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en stellen zich op het standpunt dat dit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Zo voeren eisers aan dat verweerder hun bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard en hen ten onrechte niet heeft gehoord. Zij stellen wel nieuwe informatie in bezwaar te hebben ingebracht en in een gehoor had verweerder de mate van afhankelijkheid kunnen vaststellen om in de beoordeling mee te nemen. Eisers zien zich hierdoor benadeeld. Daarnaast stelt verweerder hen ten onrechte niet vrij van het mvv-vereiste. Eisers stellen voorop dat zij voldoende medische informatie hebben overgelegd en de arts van BMA kan zo nodig aanvullende informatie opvragen. Verweerder wacht daarbij ten onrechte het advies van MediFirst in de asielprocedure niet af terwijl dit een ook een begin van een medisch dossier vormt. Ook getuigt het van onevenredige hardheid om van eisers te verwachten dat zij voor de aanvraag van een mvv naar Iran terugkeren terwijl verweerder hun asielaanvraag nog niet heeft beoordeeld. Ten aanzien van de beoordeling in het kader van artikel 8 van het EVRM stellen eisers zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte geen bijkomende elementen van afhankelijkheid aanneemt. Eiser is gehandicapt en eiseres is oud en ziek. Zij behoren verzorgd te worden door hun familie. Hun gezondheid gaat daarbij achteruit en dit moet verweerder ex nunc beoordelen. Daarnaast is door verweerder ten onrechte geen rekening gehouden met het belang van de (klein)kinderen om hun oom en grootmoeder hier te hebben. Verweerder heeft hierbij geen verklaring gegeven over waarom Nederlandse grootouders wel familieleven mogen uitoefenen met hun Nederlandse kleinkinderen, maar Iraanse grootouders niet met hun Nederlands kleinkinderen. Eisers zien hierin een schending van het gelijkheidsbeginsel. Wat is het oordeel van de rechtbank? Hoorplicht 4. Verweerder mag op grond van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) slechts van horen in bezwaar afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat gebeurt alleen als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren van de vreemdeling tegen het primaire besluit, niet kunnen leiden tot een ander besluit. In de keuze om af te zien van horen moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval. 4.1. Het uitgangspunt is desalniettemin dat verweerder in bezwaar hoort en dat zij terughoudend omgaat met het afzien hiervan. Vooral in zaken waarin artikel 8 van het EVRM een rol speelt. Wanneer er onduidelijkheid bestaat over het feitencomplex of niet alle relevante informatie is overgelegd door de vreemdeling, komt bijzonder belang toe aan het uitgangspunt dat een vreemdeling in bezwaar wordt gehoord. 4.2. Verweerder heeft in het bestreden besluit tegengeworpen dat eisers in bezwaar geen nieuwe (medische) bewijsstukken of informatie hebben ingebracht dat tot een ander oordeel kan leiden. Daarbij was het medisch dossier niet compleet, wat eisers wordt verweten, dus is verweerder ook niet in staat geweest om een BMA-advies op te vragen. Verweerder heeft op basis daarvan besloten om – in overeenstemming met de werkinstructie (WI) 2022/20 en de eerder genoemde uitspraak van 6 juli 2022 – het bezwaar kennelijk ongegrond te verklaren en heeft eisers niet gehoord. 4.3. Eisers hebben onder andere aangevoerd dat zij kampen met medische problematiek en mede daardoor afhankelijk zijn van de (dagelijkse) zorg van referente en familie. Vooral nu de vader van het gezin enkele jaren geleden is overleden. Zo kampt eiseres met diabetes, hoge bloeddruk, beginnende dementie, beperkt zicht in haar linkeroog en heeft ze kort na haar aankomst in Nederland een beroerte gehad. Ook is zij aan een rolstoel gebonden. Eiser is daarnaast verstandelijk gehandicapt en lijdt aan epilepsie. Beiden krijgen voor hun klachten de nodige medicatie.
Volledig
Zoals door verweerder beschreven in het primaire besluit, hebben eisers een aantal medische documenten van eiseres en verklaringen van onder andere referente en haar zus ingebracht ter onderbouwing van hun omstandigheden. In bezwaar hebben ze geen aanvullende stukken overgelegd. In beroep hebben eisers daarentegen een aantal brieven van het [ziekenhuis] overgelegd inzake afspraken en behandelingen van eiseres in de periode van 2 juni 2023 tot en met 9 september 2024. 4.4. Voorop staat dat in deze zaak artikel 8 van het EVRM – zoals beschreven onder rechtsoverweging 4.1 – een rol speelt. Ook de WI 2022/20 benadrukt het belang van horen bij 8 EVRM zaken. De belanghebbende hoeft de hoorzitting niet te verdienen maar hij moet wel al in het bezwaarschrift concreet en toegespitst op zijn situatie toelichten waarom hij het niet eens is met het bestreden besluit en welk concreet belang hij heeft bij een hoorzitting. Dit uitgangspunt geldt temeer als het bezwaarschrift door een professionele rechtsbijstandverlener is opgesteld. 4.5. De rechtbank stelt voorop dat het in beginsel aan eisers is om hun situatie zoveel mogelijk met objectief verifieerbare bewijsstukken te onderbouwen. Dat hebben zij in de bestuurlijke fase onvoldoende gedaan. Verweerder heeft hen op 13 november 2023 een brief gestuurd met welke stukken hiervoor nodig zijn. Hierop hebben eisers niet de benodigde stukken overgelegd. Ook hebben zij de toestemmingsverklaring, dat BMA in staat stelt om medische informatie bij behandelaren op te vragen, niet ondertekend. Bovendien hebben zij niet aan verweerder aangegeven dat de stukken niet konden worden overgelegd op dat moment. In de bestuurlijke fase beschikte verweerder dan ook enkel over twee ontslagrecepten van het [ziekenhuis] ten behoeve van eiseres. Eerst in beroep hebben eisers overige medische stukken ten behoeve van eiseres overgelegd. Daarbij hebben eisers ter zitting geen goede verklaring kunnen geven waarom zij eerst nu deze stukken hebben overgelegd en waarom zij de toestemmingsverklaring tot op heden niet hebben ondertekend. De rechtbank is daarom van oordeel dat ondanks dat de ontbrekende stukken essentieel zijn voor de beoordeling van de aanvraag, eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij zich voldoende hebben ingespannen om de stukken tijdig, in de bestuurlijke fase, over te leggen. Dit komt dan ook voor rekening en risico van eisers. De hoorplicht vormt hierbij weliswaar een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure, maar de rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval terecht heeft afgezien van horen, nu niet is gebleken dat eisers voldoende inspanningen hebben verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover met verweerder hebben gecommuniceerd. Mvv-vereiste 4.6. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder terecht niet heeft gewacht op het MediFirst-advies dat in de asielprocedure wordt uitgebracht, nu dit een ander doel heeft dan een BMA-advies. MediFirst onderzoekt of iemand gehoord kan worden en adviseert zo nodig onder welke beperkingen dit kan. BMA doet een (medisch) dossieronderzoek om te kijken of van eisers kan worden verwacht terug te keren naar Iran voor een mvv. Een volledig dossier is hiervoor van belang. Nu verweerder niet over een volledig medisch dossier beschikte en daarom geen BMA-advies heeft kunnen opvragen, zijn eisers terecht niet vrijgesteld van het mvv-vereiste op medische gronden. 4.7. Ook kan de rechtbank verweerder volgen in zijn standpunt dat van bijkomende elementen van afhankelijkheid niet is gebleken ten tijde van het bestreden besluit. Dat eisers enige mate van afhankelijkheid van (dagelijkse) zorg hebben, betekent niet zonder meer dat dit van referente af hoeft te komen. Dat het voor eisers fijn zou zijn om zich hier bij referente en overige familieleden te voegen is begrijpelijk, maar eisers hebben de afhankelijkheid onvoldoende onderbouwd.. Verweerder heeft hierbij eveneens beoordeeld of er sprake is van familieleven tussen eisers en de kleinkinderen, dus eisers worden niet gevolgd in hun stelling dat de belangen van de kleinkinderen hier niet bij zouden zijn betrokken. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat verweerder niet alle relevante individuele aspecten heeft betrokken. Verder slaagt het beroep op het gelijkheidsbeginsel in vergelijking met Nederlandse grootouders ook niet, nu geen sprake is van gelijke gevallen. 4.8. Voor zover eisers met hun betoog stellen dat van hen niet gevergd kan worden om naar Iran af te reizen om daar een mvv aan te vragen, een beroep doen op vrijstelling van het mvv-vereiste met toepassing van de in artikel 3.71, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) neergelegde hardheidsclausule, kan dit beroep naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Zo hebben eisers niet aangegeven en onderbouwd waarom het stellen van het mvv-vereiste concreet voor hen leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. De enkele algemene verwijzing naar de situatie van Iran acht de rechtbank hiervoor niet toereikend, nog daargelaten dat een asielgerelateerde grond niet tot toepassing van de bovengenoemde hardheidsclausule kan leiden. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eisers niet met toepassing van de hardheidsclausule worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. 4.9. Omdat verweerder op goede gronden heeft geweigerd eisers op medische gronden , artikel 8 van het EVRM of met toepassing van de hardheidsclausule vrij te stellen van het mvv-vereiste en niet gesteld of gebleken is dat eisers op een andere grond uit artikel 3.71, tweede lid, van het Vb in aanmerking behoren te komen voor een dergelijke vrijstelling, heeft verweerder de aanvraag reeds vanwege het niet voldoen aan het mvv-vereiste af kunnen wijzen. Conclusie en gevolgen 5. Niet is gebleken dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. 6. Eisers krijgen geen vergoeding van de proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bureau Medische Advisering. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918. Zie paragraaf B1/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Vgl. paragraaf B1/4.1.4 van de Vc. Op grond van artikel 17, eerste lid, onder c, van de Vw.
Volledig
Zoals door verweerder beschreven in het primaire besluit, hebben eisers een aantal medische documenten van eiseres en verklaringen van onder andere referente en haar zus ingebracht ter onderbouwing van hun omstandigheden. In bezwaar hebben ze geen aanvullende stukken overgelegd. In beroep hebben eisers daarentegen een aantal brieven van het [ziekenhuis] overgelegd inzake afspraken en behandelingen van eiseres in de periode van 2 juni 2023 tot en met 9 september 2024. 4.4. Voorop staat dat in deze zaak artikel 8 van het EVRM – zoals beschreven onder rechtsoverweging 4.1 – een rol speelt. Ook de WI 2022/20 benadrukt het belang van horen bij 8 EVRM zaken. De belanghebbende hoeft de hoorzitting niet te verdienen maar hij moet wel al in het bezwaarschrift concreet en toegespitst op zijn situatie toelichten waarom hij het niet eens is met het bestreden besluit en welk concreet belang hij heeft bij een hoorzitting. Dit uitgangspunt geldt temeer als het bezwaarschrift door een professionele rechtsbijstandverlener is opgesteld. 4.5. De rechtbank stelt voorop dat het in beginsel aan eisers is om hun situatie zoveel mogelijk met objectief verifieerbare bewijsstukken te onderbouwen. Dat hebben zij in de bestuurlijke fase onvoldoende gedaan. Verweerder heeft hen op 13 november 2023 een brief gestuurd met welke stukken hiervoor nodig zijn. Hierop hebben eisers niet de benodigde stukken overgelegd. Ook hebben zij de toestemmingsverklaring, dat BMA in staat stelt om medische informatie bij behandelaren op te vragen, niet ondertekend. Bovendien hebben zij niet aan verweerder aangegeven dat de stukken niet konden worden overgelegd op dat moment. In de bestuurlijke fase beschikte verweerder dan ook enkel over twee ontslagrecepten van het [ziekenhuis] ten behoeve van eiseres. Eerst in beroep hebben eisers overige medische stukken ten behoeve van eiseres overgelegd. Daarbij hebben eisers ter zitting geen goede verklaring kunnen geven waarom zij eerst nu deze stukken hebben overgelegd en waarom zij de toestemmingsverklaring tot op heden niet hebben ondertekend. De rechtbank is daarom van oordeel dat ondanks dat de ontbrekende stukken essentieel zijn voor de beoordeling van de aanvraag, eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij zich voldoende hebben ingespannen om de stukken tijdig, in de bestuurlijke fase, over te leggen. Dit komt dan ook voor rekening en risico van eisers. De hoorplicht vormt hierbij weliswaar een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure, maar de rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval terecht heeft afgezien van horen, nu niet is gebleken dat eisers voldoende inspanningen hebben verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover met verweerder hebben gecommuniceerd. Mvv-vereiste 4.6. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder terecht niet heeft gewacht op het MediFirst-advies dat in de asielprocedure wordt uitgebracht, nu dit een ander doel heeft dan een BMA-advies. MediFirst onderzoekt of iemand gehoord kan worden en adviseert zo nodig onder welke beperkingen dit kan. BMA doet een (medisch) dossieronderzoek om te kijken of van eisers kan worden verwacht terug te keren naar Iran voor een mvv. Een volledig dossier is hiervoor van belang. Nu verweerder niet over een volledig medisch dossier beschikte en daarom geen BMA-advies heeft kunnen opvragen, zijn eisers terecht niet vrijgesteld van het mvv-vereiste op medische gronden. 4.7. Ook kan de rechtbank verweerder volgen in zijn standpunt dat van bijkomende elementen van afhankelijkheid niet is gebleken ten tijde van het bestreden besluit. Dat eisers enige mate van afhankelijkheid van (dagelijkse) zorg hebben, betekent niet zonder meer dat dit van referente af hoeft te komen. Dat het voor eisers fijn zou zijn om zich hier bij referente en overige familieleden te voegen is begrijpelijk, maar eisers hebben de afhankelijkheid onvoldoende onderbouwd.. Verweerder heeft hierbij eveneens beoordeeld of er sprake is van familieleven tussen eisers en de kleinkinderen, dus eisers worden niet gevolgd in hun stelling dat de belangen van de kleinkinderen hier niet bij zouden zijn betrokken. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat verweerder niet alle relevante individuele aspecten heeft betrokken. Verder slaagt het beroep op het gelijkheidsbeginsel in vergelijking met Nederlandse grootouders ook niet, nu geen sprake is van gelijke gevallen. 4.8. Voor zover eisers met hun betoog stellen dat van hen niet gevergd kan worden om naar Iran af te reizen om daar een mvv aan te vragen, een beroep doen op vrijstelling van het mvv-vereiste met toepassing van de in artikel 3.71, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) neergelegde hardheidsclausule, kan dit beroep naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Zo hebben eisers niet aangegeven en onderbouwd waarom het stellen van het mvv-vereiste concreet voor hen leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. De enkele algemene verwijzing naar de situatie van Iran acht de rechtbank hiervoor niet toereikend, nog daargelaten dat een asielgerelateerde grond niet tot toepassing van de bovengenoemde hardheidsclausule kan leiden. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eisers niet met toepassing van de hardheidsclausule worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. 4.9. Omdat verweerder op goede gronden heeft geweigerd eisers op medische gronden , artikel 8 van het EVRM of met toepassing van de hardheidsclausule vrij te stellen van het mvv-vereiste en niet gesteld of gebleken is dat eisers op een andere grond uit artikel 3.71, tweede lid, van het Vb in aanmerking behoren te komen voor een dergelijke vrijstelling, heeft verweerder de aanvraag reeds vanwege het niet voldoen aan het mvv-vereiste af kunnen wijzen. Conclusie en gevolgen 5. Niet is gebleken dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. 6. Eisers krijgen geen vergoeding van de proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bureau Medische Advisering. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918. Zie paragraaf B1/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Vgl. paragraaf B1/4.1.4 van de Vc. Op grond van artikel 17, eerste lid, onder c, van de Vw.