Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-22
ECLI:NL:RBDHA:2025:27945
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,006 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2025:27945 text/xml public 2026-05-01T16:14:38 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-05-22 NL24.47534 en NL24.47536 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27945 text/html public 2026-05-01T15:07:21 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:27945 Rechtbank Den Haag , 22-05-2025 / NL24.47534 en NL24.47536 Vreemdelingenrecht regulier; verblijfsverunning met verblijfsdoel 'familie en gezin'; verweerder heeft ten onrechte geen standpunt ingenomen over de nieuw in beroep overgelegde documenten die onder andere slaan op de periode voorafgaand aan de aanvraag; motiveringsgebrek art. 3:46 Awb; beroep gegrond; voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL24.47534 en NL24.47536 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. K.J. Kerdel), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. 1.1. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 25 januari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 november 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.2. Verweerder heeft zich enkele weken voor de zitting afgemeld te verschijnen. Verweerder heeft daarbij niet op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, referente en H. Abdulla als tolk. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1993 en heeft de Ghanese nationaliteit. 2.1. Op 14 november 2023 heeft eiser, met behulp van zijn gemachtigde, een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’ (de aanvraag) om bij mevrouw [referente] , zijn partner (referente), en hun dochter, [naam 1] , te mogen verblijven. Referente heeft ook nog een zoon uit een eerdere relatie, [naam 2] , voor wie eiser fungeert als stiefvader. 2.2. Bij het besluit van 25 januari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Verweerder werpt eiser tegen dat hij geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft en niet is vrijgesteld van het mvv-vereiste. Daarbij is er geen sprake van familieleven tussen eiser en referente omdat de gestelde relatie onvoldoende is onderbouwd, en neemt verweerder geen familieleven aan tussen eiser en beide kinderen. De belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM valt daarnaast in het nadeel van eiser uit. Ook ten aanzien van de belangen van de kinderen. Verder wordt er geen privéleven in Nederland aangenomen, getuigt de beslissing volgens verweerder niet van onredelijke hardheid en zijn er geen bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om van de beleidsregels af te wijken. Met het bestreden besluit van 26 november 2024 is verweerder bij de afwijzing gebleven en heeft hij het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Wat vindt eiser in beroep? 3. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn aanvraag ten onrechte is afgewezen omdat het besluit niet voldoende gedragen is gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand is gekomen. Hiertoe voert eiser aan dat verweerder hem, gelet op de hardheidsclausule, had moeten vrijstellen van het mvv-vereiste. Verweerder heeft ook ten onrechte niet gespecificeerd welke bewijsstukken er nog nodig zijn om de relatie tussen eiser en referente, of de hechte banden tussen eiser en de kinderen, aan te tonen. Eiser is namelijk van mening voldoende bewijs te hebben geleverd. Daarnaast werpt verweerder eiser ten onrechte delen uit zijn verklaring bij de AVIM van 18 oktober 2023 tegen, omdat die al zijn opgehelderd. Verweerder kan eiser ook niet tegenwerpen dat er geen sprake is van financiële ondersteuning, omdat het eiser niet is toegestaan in Nederland te werken of een bankrekening te openen. Verweerder had eiser dan ook moeten vrijstellen van het mvv-vereiste op grond van zijn eigen beleid, of artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Referente kan daarbij niet voor ondersteuning terecht bij familie in Nederland. Verder heeft verweerder niet onderkend dat sprake is van werkelijk gezinsleven zoals bedoeld in artikel 16 van de Gezinsherenigingsrichtlijn en eiser beoogt dit voort te zetten. Daarbij is er een subjectief recht op gezinshereniging omdat het een lid van het kerngezin betreft. Eiser kan verder een verblijfsrecht ontlenen aan artikel 20 van het VWEU en het arrest Chavez-Vilchez nu de kinderen eiser nodig hebben. Tot slot is het bestreden besluit volgens eiser in strijd met artikel 3, 9 en 10 van het IVRK, artikel 24 van het EU-Handvest en het evenredigheidsbeginsel. Door eiser terug te sturen worden de belangen van de kinderen geschaad. Wat is het oordeel van de rechtbank? 4. De rechtbank stelt vast dat eiser, ter verdere onderbouwing van zijn relatie met referente, zijn banden met de kinderen en de medische omstandigheden van referente, in beroep aanvullende stukken heeft ingediend. Het gaat om nieuwe foto’s van eiser met referente en de kinderen, een overzicht van telefooncontact tussen eiser en referente, Whatsapp-gesprekken tussen eiser en referente, medische informatie van de huisarts van referente, een bevestiging van inschrijving in de BRP van eiser, een bevestiging van het openen van een bankrekening door eiser en een geschreven verklaring van de zoon van referente over eiser. Eiser heeft verklaard eerst in beroep met deze stukken te zijn gekomen, omdat verweerder gedurende de procedure, waaronder zoals tijdens de hoorzitting, niet duidelijk heeft gemaakt aan eiser dat er meer stukken nodig waren en welke stukken om zijn relatie met referente en de persoonlijke hechte banden met de kinderen te onderbouwen. 4.1. Ter zitting heeft eiser daarbij ook nog toegelicht op 23 december 2024 een aanvullende aanvraag te hebben gedaan voor ‘verblijf bij Nederlands kind (Chavez)’ nu referente en de kinderen recent zijn genaturaliseerd. Hierdoor heeft eiser procedureel rechtmatig verblijf gekregen waardoor hij zich in heeft kunnen schrijven in de BRP en een betaalrekening heeft kunnen openen. Op deze aanvraag heeft verweerder ten tijde van de zitting nog niet beslist. 4.2. Verweerder heeft echter geen standpunt ingenomen over de waarde van de door eiser in beroep overgelegde stukken, dan wel wat dit moet betekenen voor de beoordeling zoals deze is gemaakt in het bestreden besluit. Omdat de stukken zien op de relatie tussen eiser en referente, de band tussen eiser en de kinderen, de medische omstandigheden van referente en voor een deel slaan op de periode voorafgaand aan het bestreden besluit, acht de rechtbank het wel van belang dat verweerder hier een standpunt over inneemt en deze waar nodig betrekt in haar beoordeling. De rechtbank ziet hierin dan ook een motiveringsgebrek waardoor het bestreden besluit geen stand kan houden. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en zal verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen en daarbij tevens de door eiser ingediende aanvraag van 23 december 2024 te betrekken. 4.3. Nu de rechtbank het bestreden besluit heeft vernietigd en zij niet uitsluit dat de aanvullende stukken in beroep invloed kunnen hebben op de beoordeling van de aanvraag, komt de rechtbank niet toe aan een bespreking van de overige gronden van beroep. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Dat betekent dat het een motiveringsgebrek bevat en niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.