Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-12-12
ECLI:NL:RBDHA:2025:27933
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,436 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:27933 text/xml public 2026-04-28T15:42:00 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-12-12 NL23.9108 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27933 text/html public 2026-04-28T15:41:17 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:27933 Rechtbank Den Haag , 12-12-2025 / NL23.9108 Afghanistan - beroep gegrond - verweerder had de ingang van de verblijfsvergunning moeten vaststellen op de datum van eisers eerste asielaanvraag. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL23.9108 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: , eiser (gemachtigde: mr. A.M. van Eik), en de Minister van Asiel en Migratie, verweerder. Inleiding 1. Eiser heeft op 8 augustus 2018 een opvolgende asielaanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 27 februari 2023 deze asielaanvraag ingewilligd en een vergunning verleend met ingangsdatum 8 augustus 2018. 1.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit voor zover daarin niet is beslist op het verzoek om heroverweging en voor zover daarin de ingangsdatum van de verblijfsvergunning is ingesteld op 8 augustus 2018. 1.2. Bij bericht van 20 november 2025 heeft verweerder laten weten niet ter zitting te verschijnen wegens beperkte capaciteit. 1.3. Op verzoek van de rechtbank heeft verweerder een verweerschrift ingediend op 27 november 2025. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 28 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en M. Masshoor als tolk. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Eerdere procedures 2. Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1958. Eiser heeft op 11 augustus 2001 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft op 17 april 2008 de asielaanvraag afgewezen omdat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is op eiser vanwege zijn werkzaamheden voor de KUDI . Verweerder heeft zich daarbij mede gebaseerd op informatie in het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 3 september 2002 over de politie in Afghanistan in de periode 1978-1992 en 1992-1996. Het beroep tegen het besluit van 17 april 2008 is op 4 november 2008 niet-ontvankelijk verklaard door de rechtbank, omdat het beroepschrift te laat was ingediend. Het besluit van 17 april 2008 staat in rechte vast. 2.1. Eiser heeft op 27 februari 2012 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 6 november 2012 heeft verweerder de opvolgende aanvraag afgewezen en een inreisverbod van tien jaar uitgevaardigd tegen eiser. Dit besluit is met de uitspraak van 14 augustus 2013 in hoger beroep in rechte vast komen te staan. 2.2. Eiser heeft op 8 december 2015 een tweede opvolgende asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard op 29 juli 2016 en het verzoek tot opheffen van het inreisverbod afgewezen. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep bij uitspraak van 1 september 2016 ongegrond verklaard. Hiermee is het besluit van 29 juli 2016 in rechte vast komen te staan. Huidige procedure 3. Eiser heeft op 8 augustus 2018 een derde opvolgende asielaanvraag ingediend. Ook heeft eiser verzocht terug te komen op de eerdere asielaanvraag van 11 augustus 2001 en hem een asielvergunning te verlenen met ingangsdatum 11 augustus 2001 en verzocht het inreisverbod en terugkeerbesluit in te trekken met terugwerkende kracht. Verweerder heeft op 1 oktober 2019 de asielaanvraag afgewezen als niet-ontvankelijk en het verzoek tot opheffen van het inreisverbod en intrekken van het terugkeerbesluit afgewezen. Dit besluit is op 15 september 2022 in hoger beroep vernietigd. De aan het ambtsbericht 2002 onderliggende vertrouwelijke documenten en de analyse daarvan door eiser betroffen, zo heeft de hoogste bestuursrechter geoordeeld, nieuwe elementen of bevindingen. Hierna heeft verweerder met het bestreden besluit van 27 februari 2023 de asielaanvraag alsnog inhoudelijk beoordeeld en, met in achtneming van de bekend geworden informatie, de toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag niet langer tegengeworpen. Verweerder heeft hierop eiser een vergunning verleend met ingangsdatum 8 augustus 2018. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert aan dat hij recht heeft op een asielvergunning met ingang van 11 augustus 2001, omdat hij op die datum aan de vereisten voor een verblijfsvergunning asiel voldeed. Verweerder werpt de toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag immers niet langer tegen, waaruit volgt dat die tegenwerping van meet af aan niet juist is geweest en eiser recht heeft op een verblijfsvergunning asiel met als ingangsdatum zijn eerste asielaanvraag van 11 augustus 2001. Uit verschillende Afdelingsjurisprudentie volgt dat de ingangsdatum van de verleende asielvergunning naar aanleiding van een verzoek om bestuurlijke heroverweging de datum is waarop de vreemdeling aan alle vereisten voor deze vergunning voldeed. Met het verzoek om terug te komen op de afwijzing van de eerdere asielaanvraag van 11 augustus 2001 heeft eiser daarom verzocht om bestuurlijke heroverweging van het eerste besluit op die aanvraag, te weten het besluit van 17 april 2008. Verweerder heeft in het bestreden besluit ten onrechte 8 augustus 2018 in plaats van 11 augustus 2001 als ingangsdatum voor de asielvergunning gehanteerd en ten onrechte niet (kenbaar) beslist op het verzoek om heroverweging. Eiser heeft daarnaast gesteld dat artikel 3 EVRM zich sinds 11 augustus 2001 verzet tegen eisers uitzetting en dat er sprake van een schending van eisers recht op bescherming van zijn privé- en familieleven, omdat hem ten onrechte zijn recht op een verblijfsvergunning asiel sinds 2001 is onthouden. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat deze grond ziet op het feit dat hij niet heeft kunnen werken, geen sociale zekerheid heeft kunnen opbouwen en zijn gezinsleven eronder heeft geleden. ierd Eiser heeft verklaard dat hij moest toekijken hoe zijn gezinsleden doorgingen met hun leven terwijl dat voor hem niet mogelijk was. Hierdoor heeft eiser geen effectieve invulling kunnen geven aan zijn privé- en familieleven. Ter zitting heeft eiser de rechtbank verzocht zelf in de zaak te voorzien. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Mocht verweerder de ingangsdatum van eisers verblijfsvergunning asiel vaststellen op 8 augustus 2018? 6. Eiser heeft op 8 augustus 2018 bij de kennisgeving van zijn opvolgende aanvraag (M35-O) een verzoek tot heroverweging gedaan. Verweerder heeft niet op het verzoek gereageerd en er evenmin een besluit op genomen. Eiser heeft vervolgens gronden ingediend waarin hij erop heeft gewezen waarom verweerder volgens hem ten onrechte niet in is gegaan op het verzoek tot heroverweging. Verweerder heeft daar ook in zijn verweerschrift niet op gereageerd, terwijl eiser uitvoerig heeft gemotiveerd waarom volgens hem de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel 11 augustus 2001 moet zijn. Over de ingangsdatum is de enige reactie van verweerder, pas in het verweerschrift, dat er geen grond is voor een andere ingangsdatum. Voor de rechtbank is niet begrijpelijk waarom verweerder zowel in het bestreden besluit als in het verweerschrift heeft nagelaten inhoudelijk te reageren op het gemotiveerde verzoek tot heroverweging. Ter zitting heeft eiser zijn belang bij vaststelling van de ingangsdatum op 11 augustus 2001 toegelicht. Hij zou volgens hem immers met die ingangsdatum automatisch, zonder daartoe een aanvraag te hoeven indienen, een asielvergunning voor onbepaalde tijd krijgen. De rechtbank ziet geen enkele reden waarom verweerder geen besluit kon of hoefde te nemen op het verzoek tot heroverweging en het is de rechtbank evenmin duidelijk geworden waarom verweerder dat niet heeft gedaan.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:27933 text/xml public 2026-04-28T15:42:00 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-12-12 NL23.9108 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27933 text/html public 2026-04-28T15:41:17 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:27933 Rechtbank Den Haag , 12-12-2025 / NL23.9108 Afghanistan - beroep gegrond - verweerder had de ingang van de verblijfsvergunning moeten vaststellen op de datum van eisers eerste asielaanvraag. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL23.9108 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: , eiser (gemachtigde: mr. A.M. van Eik), en de Minister van Asiel en Migratie, verweerder. Inleiding 1. Eiser heeft op 8 augustus 2018 een opvolgende asielaanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 27 februari 2023 deze asielaanvraag ingewilligd en een vergunning verleend met ingangsdatum 8 augustus 2018. 1.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit voor zover daarin niet is beslist op het verzoek om heroverweging en voor zover daarin de ingangsdatum van de verblijfsvergunning is ingesteld op 8 augustus 2018. 1.2. Bij bericht van 20 november 2025 heeft verweerder laten weten niet ter zitting te verschijnen wegens beperkte capaciteit. 1.3. Op verzoek van de rechtbank heeft verweerder een verweerschrift ingediend op 27 november 2025. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 28 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en M. Masshoor als tolk. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Eerdere procedures 2. Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1958. Eiser heeft op 11 augustus 2001 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft op 17 april 2008 de asielaanvraag afgewezen omdat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is op eiser vanwege zijn werkzaamheden voor de KUDI . Verweerder heeft zich daarbij mede gebaseerd op informatie in het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 3 september 2002 over de politie in Afghanistan in de periode 1978-1992 en 1992-1996. Het beroep tegen het besluit van 17 april 2008 is op 4 november 2008 niet-ontvankelijk verklaard door de rechtbank, omdat het beroepschrift te laat was ingediend. Het besluit van 17 april 2008 staat in rechte vast. 2.1. Eiser heeft op 27 februari 2012 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 6 november 2012 heeft verweerder de opvolgende aanvraag afgewezen en een inreisverbod van tien jaar uitgevaardigd tegen eiser. Dit besluit is met de uitspraak van 14 augustus 2013 in hoger beroep in rechte vast komen te staan. 2.2. Eiser heeft op 8 december 2015 een tweede opvolgende asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard op 29 juli 2016 en het verzoek tot opheffen van het inreisverbod afgewezen. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep bij uitspraak van 1 september 2016 ongegrond verklaard. Hiermee is het besluit van 29 juli 2016 in rechte vast komen te staan. Huidige procedure 3. Eiser heeft op 8 augustus 2018 een derde opvolgende asielaanvraag ingediend. Ook heeft eiser verzocht terug te komen op de eerdere asielaanvraag van 11 augustus 2001 en hem een asielvergunning te verlenen met ingangsdatum 11 augustus 2001 en verzocht het inreisverbod en terugkeerbesluit in te trekken met terugwerkende kracht. Verweerder heeft op 1 oktober 2019 de asielaanvraag afgewezen als niet-ontvankelijk en het verzoek tot opheffen van het inreisverbod en intrekken van het terugkeerbesluit afgewezen. Dit besluit is op 15 september 2022 in hoger beroep vernietigd. De aan het ambtsbericht 2002 onderliggende vertrouwelijke documenten en de analyse daarvan door eiser betroffen, zo heeft de hoogste bestuursrechter geoordeeld, nieuwe elementen of bevindingen. Hierna heeft verweerder met het bestreden besluit van 27 februari 2023 de asielaanvraag alsnog inhoudelijk beoordeeld en, met in achtneming van de bekend geworden informatie, de toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag niet langer tegengeworpen. Verweerder heeft hierop eiser een vergunning verleend met ingangsdatum 8 augustus 2018. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert aan dat hij recht heeft op een asielvergunning met ingang van 11 augustus 2001, omdat hij op die datum aan de vereisten voor een verblijfsvergunning asiel voldeed. Verweerder werpt de toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag immers niet langer tegen, waaruit volgt dat die tegenwerping van meet af aan niet juist is geweest en eiser recht heeft op een verblijfsvergunning asiel met als ingangsdatum zijn eerste asielaanvraag van 11 augustus 2001. Uit verschillende Afdelingsjurisprudentie volgt dat de ingangsdatum van de verleende asielvergunning naar aanleiding van een verzoek om bestuurlijke heroverweging de datum is waarop de vreemdeling aan alle vereisten voor deze vergunning voldeed. Met het verzoek om terug te komen op de afwijzing van de eerdere asielaanvraag van 11 augustus 2001 heeft eiser daarom verzocht om bestuurlijke heroverweging van het eerste besluit op die aanvraag, te weten het besluit van 17 april 2008. Verweerder heeft in het bestreden besluit ten onrechte 8 augustus 2018 in plaats van 11 augustus 2001 als ingangsdatum voor de asielvergunning gehanteerd en ten onrechte niet (kenbaar) beslist op het verzoek om heroverweging. Eiser heeft daarnaast gesteld dat artikel 3 EVRM zich sinds 11 augustus 2001 verzet tegen eisers uitzetting en dat er sprake van een schending van eisers recht op bescherming van zijn privé- en familieleven, omdat hem ten onrechte zijn recht op een verblijfsvergunning asiel sinds 2001 is onthouden. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat deze grond ziet op het feit dat hij niet heeft kunnen werken, geen sociale zekerheid heeft kunnen opbouwen en zijn gezinsleven eronder heeft geleden. ierd Eiser heeft verklaard dat hij moest toekijken hoe zijn gezinsleden doorgingen met hun leven terwijl dat voor hem niet mogelijk was. Hierdoor heeft eiser geen effectieve invulling kunnen geven aan zijn privé- en familieleven. Ter zitting heeft eiser de rechtbank verzocht zelf in de zaak te voorzien. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Mocht verweerder de ingangsdatum van eisers verblijfsvergunning asiel vaststellen op 8 augustus 2018? 6. Eiser heeft op 8 augustus 2018 bij de kennisgeving van zijn opvolgende aanvraag (M35-O) een verzoek tot heroverweging gedaan. Verweerder heeft niet op het verzoek gereageerd en er evenmin een besluit op genomen. Eiser heeft vervolgens gronden ingediend waarin hij erop heeft gewezen waarom verweerder volgens hem ten onrechte niet in is gegaan op het verzoek tot heroverweging. Verweerder heeft daar ook in zijn verweerschrift niet op gereageerd, terwijl eiser uitvoerig heeft gemotiveerd waarom volgens hem de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel 11 augustus 2001 moet zijn. Over de ingangsdatum is de enige reactie van verweerder, pas in het verweerschrift, dat er geen grond is voor een andere ingangsdatum. Voor de rechtbank is niet begrijpelijk waarom verweerder zowel in het bestreden besluit als in het verweerschrift heeft nagelaten inhoudelijk te reageren op het gemotiveerde verzoek tot heroverweging. Ter zitting heeft eiser zijn belang bij vaststelling van de ingangsdatum op 11 augustus 2001 toegelicht. Hij zou volgens hem immers met die ingangsdatum automatisch, zonder daartoe een aanvraag te hoeven indienen, een asielvergunning voor onbepaalde tijd krijgen. De rechtbank ziet geen enkele reden waarom verweerder geen besluit kon of hoefde te nemen op het verzoek tot heroverweging en het is de rechtbank evenmin duidelijk geworden waarom verweerder dat niet heeft gedaan.
Volledig
Dit heeft de rechtbank ook niet aan verweerder kunnen vragen, nu hij niet is verschenen ter zitting. 6.1. De rechtbank volgt eisers stelling dat verweerder de ingangsdatum van eisers verblijfsvergunning asiel had moeten vaststellen op 11 augustus 2001. Zoals eiser heeft aangevoerd, volgt uit Afdelingsjurisprudentie dat bij een beslissing op een verzoek om bestuurlijke heroverweging artikel 44, tweede lid, van de Vw niet in de weg staat aan het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met een eerdere ingangsdatum dan de datum van de opvolgende asielaanvraag dan wel het verzoek om bestuurlijke heroverweging. Daarnaast heeft de Afdeling overwogen dat ook later bekend geworden informatie, waaruit volgt dat een vreemdeling al eerder voldeed aan de vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning, ertoe kan leiden dat verweerder van een eerder besluit moet terugkomen. Verweerder moet bij een verzoek om bestuurlijke heroverweging de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning afstemmen op de datum waarop de vreemdeling aan alle vereisten voldoet. 6.2. Verweerder heeft erkend dat de 1F-tegenwerping niet langer wordt gehandhaafd. Nu dit in het besluit van 17 april 2008 de enige tegenwerping jegens eiser was en deze nu vervalt, betekent dit dat eiser ten tijde van zijn eerste asielaanvraag aan alle vereisten voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voldeed. Verweerder had daarom de ingangsdatum van eisers asielvergunning moeten vaststellen op 11 augustus 2001 (de datum van eisers eerste asielaanvraag) en niet mogen vaststellen op 8 augustus 2018. 6.3. Nu het beroep gelet op het voorgaande gegrond is, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer. Conclusie en gevolgen 7. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover verweerder daarin de ingangsdatum van de asielvergunning heeft vastgesteld op 8 augustus 2018, omdat dit in strijd is met artikel 44, tweede lid van de Vw. Uit het oogpunt van definitieve geschilbeslechting zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door de ingangsdatum van de asielvergunning vast te stellen 11 augustus 2001. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit. 8. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.814,-. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 27 februari 2023 voor zover daarin de ingangsdatum van de asielvergunning is vastgesteld op 8 augustus 2018; - stelt de ingangsdatum van de asielvergunning vast op 11 augustus 2001; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vlassak, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Kumandani-ye Umumi-ye Defa-ye Inqelab. Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 15 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2699. Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 1 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:298, r.o. 2, 3, 3.1 en 3.2, van 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1432, r.o. 4.1, 4.2 en 4.4. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 1 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:298, r.o. 3.1. Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1432, r.o. 4.2. Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 1 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:298, r.o. 3.2. 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1.
Volledig
Dit heeft de rechtbank ook niet aan verweerder kunnen vragen, nu hij niet is verschenen ter zitting. 6.1. De rechtbank volgt eisers stelling dat verweerder de ingangsdatum van eisers verblijfsvergunning asiel had moeten vaststellen op 11 augustus 2001. Zoals eiser heeft aangevoerd, volgt uit Afdelingsjurisprudentie dat bij een beslissing op een verzoek om bestuurlijke heroverweging artikel 44, tweede lid, van de Vw niet in de weg staat aan het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met een eerdere ingangsdatum dan de datum van de opvolgende asielaanvraag dan wel het verzoek om bestuurlijke heroverweging. Daarnaast heeft de Afdeling overwogen dat ook later bekend geworden informatie, waaruit volgt dat een vreemdeling al eerder voldeed aan de vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning, ertoe kan leiden dat verweerder van een eerder besluit moet terugkomen. Verweerder moet bij een verzoek om bestuurlijke heroverweging de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning afstemmen op de datum waarop de vreemdeling aan alle vereisten voldoet. 6.2. Verweerder heeft erkend dat de 1F-tegenwerping niet langer wordt gehandhaafd. Nu dit in het besluit van 17 april 2008 de enige tegenwerping jegens eiser was en deze nu vervalt, betekent dit dat eiser ten tijde van zijn eerste asielaanvraag aan alle vereisten voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voldeed. Verweerder had daarom de ingangsdatum van eisers asielvergunning moeten vaststellen op 11 augustus 2001 (de datum van eisers eerste asielaanvraag) en niet mogen vaststellen op 8 augustus 2018. 6.3. Nu het beroep gelet op het voorgaande gegrond is, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer. Conclusie en gevolgen 7. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover verweerder daarin de ingangsdatum van de asielvergunning heeft vastgesteld op 8 augustus 2018, omdat dit in strijd is met artikel 44, tweede lid van de Vw. Uit het oogpunt van definitieve geschilbeslechting zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door de ingangsdatum van de asielvergunning vast te stellen 11 augustus 2001. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit. 8. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.814,-. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 27 februari 2023 voor zover daarin de ingangsdatum van de asielvergunning is vastgesteld op 8 augustus 2018; - stelt de ingangsdatum van de asielvergunning vast op 11 augustus 2001; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vlassak, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Kumandani-ye Umumi-ye Defa-ye Inqelab. Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 15 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2699. Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 1 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:298, r.o. 2, 3, 3.1 en 3.2, van 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1432, r.o. 4.1, 4.2 en 4.4. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 1 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:298, r.o. 3.1. Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1432, r.o. 4.2. Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 1 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:298, r.o. 3.2. 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1.