Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-10
ECLI:NL:RBDHA:2025:27821
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,142 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:27821 text/xml public 2026-04-14T15:44:41 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-11-10 NL25.13534 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27821 text/html public 2026-04-14T15:34:31 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:27821 Rechtbank Den Haag , 10-11-2025 / NL25.13534 Asiel. Asiel. Verweerder heeft de door eiser gestelde problemen met de Taliban niet ten onrechte ongeloofwaardig bevonden. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat eiser bij terugkeer te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM vanwege Tadzjiekse etniciteit. Verweerder heeft echter ten onrechte geen impliciet beroep op artikel 8 EVRM gezien in hetgeen door eiser aangevoerd en ingebracht. Niet deugdelijk is gemotiveerd waarom er onvoldoende aanleiding bestond voor een ambtshalve beoordeling hierop. Beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt op dat punt vernietigd. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.13534 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], [v-nummer], eiser (gemachtigde: mr. J.W.F. Menick), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. G. Erdal). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 12 februari 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 17 maart 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond . 1.1. De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, W.M. Mamik als tolk en de gemachtigde van verweerder. De zaak van eisers broer ([naam 1] met zaaknummer NL25.13533) is tegelijk op zitting behandeld en hij heeft ook aan de zitting deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1993 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Op 20 december 2022 heeft eiser in Oostenrijk een asielaanvraag ingediend. Eiser is kort daarna echter vertrokken en heeft in Nederland een asielaanvraag gedaan. Verweerder was naar aanleiding hiervan voornemens om eisers asielaanvraag niet in behandeling te nemen en hem over te dragen aan de Oostenrijkse autoriteiten. Omdat deze overdracht echter niet op tijd heeft plaatsgevonden, is eiser alsnog opgenomen in de eigen nationale procedure. Het asielrelaas 3. Eiser heeft het volgende aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd. Door zijn werk als leraar heeft eiser [naam 2] leren kennen, een generaal van de politie onder het oude Afghaanse regime en tevens zijn schoonmoeder, nu hij inmiddels is getrouwd met [naam 3], haar dochter. [naam 2] heeft bij hun vader de bovenverdieping van hun woning kunnen huren voor vergaderingen en evenementen van de politie. Nadat de Taliban de macht heeft gegrepen, hebben zij in 2021 bij eiser en zijn familie een inval gedaan. Op de bovenverdieping hebben zij in een afgesloten ruimte wapenholsters, kogels en een laptop van [naam 2] gevonden. Eisers vader en zijn jongste broer [naam 4] zijn twee keer meegenomen voor ondervraging door de Taliban, waarbij is verklaard dat zij [naam 2] kenden, maar niet voor haar of de overheid werkten. Omdat de Taliban op zoek is naar [naam 2], zijn zij ook op zoek naar eiser gezien zijn band met haar en de omstandigheid dat er foto’s van hem op haar laptop stonden. Samen met zijn broer [naam 1] is eiser gevlucht. De jongste broer [naam 4] is begin 2025 nog opgepakt en een aantal weken vastgehouden en ondervraagd. Hij is hier ernstig getraumatiseerd van teruggekomen. Bij terugkeer vreest eiser door de Taliban opgepakt te worden, te worden gemarteld of zelfs vermoord. Het bestreden besluit 4. Verweerder heeft twee asielmotieven herleid uit het asielrelaas van eiser. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst worden geloofd. De problemen vanwege de huurovereenkomst met [naam 2] worden deels geloofwaardig bevonden. Zo wordt wel geloofd dat eisers vader met [naam 2] een huurovereenkomst had en dat zijn vader is meegenomen voor ondervraging. Niet wordt geloofd dat de Taliban nu ook op zoek zijn naar eiser en zijn broer. Hiertoe wordt overwogen dat eiser zijn verklaringen met onvoldoende documenten heeft onderbouwd en hier geen goede verklaring voor heeft, en dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verweerder komt daarom tot de conclusie dat eiser geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 EVRM . Daarbij wordt eiser een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken. Wat vindt eiser in beroep? 5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert hiertoe het volgende aan. In de eerste plaats verwijst eiser naar zijn zienswijze. Daarnaast wordt aangevoerd dat [naam 2] en haar dochter (eisers echtgenote) in Nederland een asielvergunning hebben gekregen vanwege het gevaar dat zij lopen voor de Taliban. Gelet op de band van eiser met hen en de foto’s van eiser op de laptop van [naam 2], geldt dit gevaar evengoed voor hem. Uit openbare bronnen volgt dat overheidsdienaren gevaar lopen en eiser zal bij terugkeer gedwongen worden informatie over [naam 2] te verstrekken. Dat eisers broer [naam 4] nu een tijd met rust is gelaten geeft geen garantie tegen toekomstige acties van de Taliban. Daarnaast kan niet verwacht worden dat eiser gedetailleerd verklaart over de gevangenneming van [naam 4], nu hij dit van zijn vader heeft vernomen. Ook zal eiser vanwege zijn Tadzjiekse etniciteit harder aangepakt worden, nu zij vaak door de Taliban worden gezien als NRF -sympathisanten. Dat eiser hierover niet eerder heeft verklaard, doet aan het voorgaande niet af. Daarnaast vormt de omstandigheid dat eiser inmiddels westerse kleding draagt, op een andere manier bidt dan wordt voorgeschreven, niet de vereiste lengte baard heeft en zich, kort samengevat, niet wil aanpassen aan de voorschriften van de Taliban, een bijzondere individuele omstandigheid op basis waarvan hij bij terugkeer een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM loopt. Tot slot is het bestreden besluit in strijd met artikel 8 EVRM. Wat is het oordeel van de rechtbank? Herhaald en ingelast 6. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van de zienswijze kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van oordeel is dat het besluit onrechtmatig tot stand gekomen is dan wel gebreken bevat. Dit wordt dan ook niet aangemerkt als een beroepsgrond. De rechtbank zal zich in de behandeling beperken tot de gronden zoals deze in beroep zijn aangevoerd en toegelicht. Geloofwaardigheidsbeoordeling 7. Verweerder heeft eiser tegen kunnen werpen dat hij zijn relaas voor wat betreft de gestelde problemen niet met voldoende documenten heeft onderbouwd. Eiser heeft onder andere verklaard dat hij de foto’s die door de Taliban op de laptop van [naam 2] zijn gevonden zelf ook in bezit heeft. Die heeft eiser echter niet overgelegd en hij heeft hiervoor geen verschoonbare reden gegeven. Ditzelfde geldt voor een filmpje dat zou zijn gemaakt over het moment dat zijn jongste broer [naam 4] was vrijgelaten. Met de foto die eiser in beroep heeft overgelegd en waarvan hij heeft gesteld dat hij daarop staat in uniform, heeft verweerder geen genoegen hoeven nemen, nu eiser hierop niet herkenbaar is en hieruit geen (verdere) band met [naam 2] blijkt. 7.1. Verder vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Hiervoor heeft verweerder eiser tegen kunnen werpen dat zijn vader tegenover de Taliban heeft ontkend dat eiser ooit voor de overheid heeft gewerkt. Ook stond zijn naam niet op het huurcontract met [naam 2]. Eiser is ook persoonlijk nooit benaderd door de Taliban, terwijl zij wisten waar hij woonde. Daarom is niet aannemelijk geworden dat eiser in de negatieve belangstelling van de Taliban stond of dat zij naar hem op zoek zijn.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:27821 text/xml public 2026-04-14T15:44:41 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-11-10 NL25.13534 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27821 text/html public 2026-04-14T15:34:31 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:27821 Rechtbank Den Haag , 10-11-2025 / NL25.13534 Asiel. Asiel. Verweerder heeft de door eiser gestelde problemen met de Taliban niet ten onrechte ongeloofwaardig bevonden. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat eiser bij terugkeer te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM vanwege Tadzjiekse etniciteit. Verweerder heeft echter ten onrechte geen impliciet beroep op artikel 8 EVRM gezien in hetgeen door eiser aangevoerd en ingebracht. Niet deugdelijk is gemotiveerd waarom er onvoldoende aanleiding bestond voor een ambtshalve beoordeling hierop. Beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt op dat punt vernietigd. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.13534 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], [v-nummer], eiser (gemachtigde: mr. J.W.F. Menick), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. G. Erdal). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 12 februari 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 17 maart 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond . 1.1. De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, W.M. Mamik als tolk en de gemachtigde van verweerder. De zaak van eisers broer ([naam 1] met zaaknummer NL25.13533) is tegelijk op zitting behandeld en hij heeft ook aan de zitting deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1993 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Op 20 december 2022 heeft eiser in Oostenrijk een asielaanvraag ingediend. Eiser is kort daarna echter vertrokken en heeft in Nederland een asielaanvraag gedaan. Verweerder was naar aanleiding hiervan voornemens om eisers asielaanvraag niet in behandeling te nemen en hem over te dragen aan de Oostenrijkse autoriteiten. Omdat deze overdracht echter niet op tijd heeft plaatsgevonden, is eiser alsnog opgenomen in de eigen nationale procedure. Het asielrelaas 3. Eiser heeft het volgende aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd. Door zijn werk als leraar heeft eiser [naam 2] leren kennen, een generaal van de politie onder het oude Afghaanse regime en tevens zijn schoonmoeder, nu hij inmiddels is getrouwd met [naam 3], haar dochter. [naam 2] heeft bij hun vader de bovenverdieping van hun woning kunnen huren voor vergaderingen en evenementen van de politie. Nadat de Taliban de macht heeft gegrepen, hebben zij in 2021 bij eiser en zijn familie een inval gedaan. Op de bovenverdieping hebben zij in een afgesloten ruimte wapenholsters, kogels en een laptop van [naam 2] gevonden. Eisers vader en zijn jongste broer [naam 4] zijn twee keer meegenomen voor ondervraging door de Taliban, waarbij is verklaard dat zij [naam 2] kenden, maar niet voor haar of de overheid werkten. Omdat de Taliban op zoek is naar [naam 2], zijn zij ook op zoek naar eiser gezien zijn band met haar en de omstandigheid dat er foto’s van hem op haar laptop stonden. Samen met zijn broer [naam 1] is eiser gevlucht. De jongste broer [naam 4] is begin 2025 nog opgepakt en een aantal weken vastgehouden en ondervraagd. Hij is hier ernstig getraumatiseerd van teruggekomen. Bij terugkeer vreest eiser door de Taliban opgepakt te worden, te worden gemarteld of zelfs vermoord. Het bestreden besluit 4. Verweerder heeft twee asielmotieven herleid uit het asielrelaas van eiser. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst worden geloofd. De problemen vanwege de huurovereenkomst met [naam 2] worden deels geloofwaardig bevonden. Zo wordt wel geloofd dat eisers vader met [naam 2] een huurovereenkomst had en dat zijn vader is meegenomen voor ondervraging. Niet wordt geloofd dat de Taliban nu ook op zoek zijn naar eiser en zijn broer. Hiertoe wordt overwogen dat eiser zijn verklaringen met onvoldoende documenten heeft onderbouwd en hier geen goede verklaring voor heeft, en dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verweerder komt daarom tot de conclusie dat eiser geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 EVRM . Daarbij wordt eiser een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken. Wat vindt eiser in beroep? 5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert hiertoe het volgende aan. In de eerste plaats verwijst eiser naar zijn zienswijze. Daarnaast wordt aangevoerd dat [naam 2] en haar dochter (eisers echtgenote) in Nederland een asielvergunning hebben gekregen vanwege het gevaar dat zij lopen voor de Taliban. Gelet op de band van eiser met hen en de foto’s van eiser op de laptop van [naam 2], geldt dit gevaar evengoed voor hem. Uit openbare bronnen volgt dat overheidsdienaren gevaar lopen en eiser zal bij terugkeer gedwongen worden informatie over [naam 2] te verstrekken. Dat eisers broer [naam 4] nu een tijd met rust is gelaten geeft geen garantie tegen toekomstige acties van de Taliban. Daarnaast kan niet verwacht worden dat eiser gedetailleerd verklaart over de gevangenneming van [naam 4], nu hij dit van zijn vader heeft vernomen. Ook zal eiser vanwege zijn Tadzjiekse etniciteit harder aangepakt worden, nu zij vaak door de Taliban worden gezien als NRF -sympathisanten. Dat eiser hierover niet eerder heeft verklaard, doet aan het voorgaande niet af. Daarnaast vormt de omstandigheid dat eiser inmiddels westerse kleding draagt, op een andere manier bidt dan wordt voorgeschreven, niet de vereiste lengte baard heeft en zich, kort samengevat, niet wil aanpassen aan de voorschriften van de Taliban, een bijzondere individuele omstandigheid op basis waarvan hij bij terugkeer een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM loopt. Tot slot is het bestreden besluit in strijd met artikel 8 EVRM. Wat is het oordeel van de rechtbank? Herhaald en ingelast 6. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van de zienswijze kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van oordeel is dat het besluit onrechtmatig tot stand gekomen is dan wel gebreken bevat. Dit wordt dan ook niet aangemerkt als een beroepsgrond. De rechtbank zal zich in de behandeling beperken tot de gronden zoals deze in beroep zijn aangevoerd en toegelicht. Geloofwaardigheidsbeoordeling 7. Verweerder heeft eiser tegen kunnen werpen dat hij zijn relaas voor wat betreft de gestelde problemen niet met voldoende documenten heeft onderbouwd. Eiser heeft onder andere verklaard dat hij de foto’s die door de Taliban op de laptop van [naam 2] zijn gevonden zelf ook in bezit heeft. Die heeft eiser echter niet overgelegd en hij heeft hiervoor geen verschoonbare reden gegeven. Ditzelfde geldt voor een filmpje dat zou zijn gemaakt over het moment dat zijn jongste broer [naam 4] was vrijgelaten. Met de foto die eiser in beroep heeft overgelegd en waarvan hij heeft gesteld dat hij daarop staat in uniform, heeft verweerder geen genoegen hoeven nemen, nu eiser hierop niet herkenbaar is en hieruit geen (verdere) band met [naam 2] blijkt. 7.1. Verder vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Hiervoor heeft verweerder eiser tegen kunnen werpen dat zijn vader tegenover de Taliban heeft ontkend dat eiser ooit voor de overheid heeft gewerkt. Ook stond zijn naam niet op het huurcontract met [naam 2]. Eiser is ook persoonlijk nooit benaderd door de Taliban, terwijl zij wisten waar hij woonde. Daarom is niet aannemelijk geworden dat eiser in de negatieve belangstelling van de Taliban stond of dat zij naar hem op zoek zijn.
Volledig
De omstandigheid dat [naam 2] en [naam 3] een asielvergunning is verleend, doet aan het voorgaande niet af, nu het in deze procedure gaat om de vrees die eiser zelf zegt te hebben. De overgelegde landeninformatie werpt geen ander licht op de zaak, nu die ziet op mensen die voor de overheid hebben gewerkt. Van belang hierbij is dat deze groep niet meer als risicoprofiel aangemerkt wordt en dat eiser niet onder deze categorie valt. Dat zijn jongste broer [naam 4] in 2025, dus enkele jaren na de door eiser verklaarde problemen, nog zou zijn meegenomen vanwege mogelijke banden met [naam 2], wordt niet gevolgd. Dit nu de familie, buiten de meldplicht die aan vader en [naam 4] zou zijn opgelegd, in de tussentijd geen problemen heeft ondervonden. 7.2. Kort voor de zitting heeft eiser nog een tweetal korte videofragmenten en een verklaring van [naam 3], de echtgenote van eiser, overgelegd. De verklaring van [naam 3] bevat een bevestiging van de huurovereenkomst en de omstandigheden rondom het gebruik van de bovenverdieping en hun vertrek uit Afghanistan. Deze verklaring leidt niet tot een ander oordeel, nu al is uitgegaan van de geloofwaardigheid van het bestaan van de huurovereenkomst tussen [naam 2] en eisers vader. De korte videofragmenten zijn volgens eiser van medio september 2025 en gesteld wordt dat hierop te zien is dat eisers vader door de Taliban wordt mishandeld. Eisers verklaring hierbij is dat zijn familie werd aangehouden terwijl zij Afghanistan illegaal per auto uit wilden reizen met hulp van een smokkelaar. Zij zijn opgepakt, zijn vader is van de rest van de familie gescheiden en sindsdien hebben zij hem niet meer gezien. De overige familieleden zijn na een dag weer vrijgelaten. Eiser en zijn broer zouden hierop ook telefonisch zijn bedreigd door de Taliban. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat niet valt te verifiëren dat de man op de beelden de vader van eiser is. Ook blijkt niet van welke datum deze beelden zijn of wat de aanleiding van dit incident is. Daarbij is van belang dat, zelfs als er van zou worden uitgegaan dat het de vader van eiser betreft, hieruit nog steeds niet blijkt dat eiser persoonlijk te vrezen heeft voor de Taliban. De enkele stelling van eiser dat hij telefonisch zou zijn bedreigd is niet onderbouwd, dus leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft hier dan ook, mede gelet op de overige tegenwerpingen, niet de waarde aan hoeven hechten die eiser eraan gehecht wil zien. 7.3. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder eisers problemen met de Taliban niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden. Vrees bij terugkeer 8. Niet is gebleken dat eiser ooit problemen heeft ondervonden vanwege zijn Tadzjiekse etniciteit. De brief van VWN waar eiser naar heeft verwezen, brengt daar geen verandering in, nu daarin algemene informatie is opgenomen en dit niet direct betrekking heeft op eiser. 8.1. Verder heeft eiser aangevoerd te zijn verwesterd en bij terugkeer niet voornemens te zijn om zich te confirmeren aan de leefregels van de Taliban. Zo draagt hij westerse kleding, draagt hij niet de vereiste lengte baard en wil hij op zijn manier kunnen bidden. Verweerder heeft kunnen tegenwerpen dat niet is gebleken dat eiser ooit problemen heeft gehad met de Taliban voor wat betreft hun leefregels. Evenmin is aannemelijk geworden dat er aanleiding is te veronderstellen dat dit bij terugkeer anders zal zijn. Van een principiële overtuiging van eiser op dit vlak, die bij terugkeer eventueel tot onoverkomelijke problemen kan leiden, is niet gebleken. Ditzelfde geldt voor het aangevoerde over het bidden. Niet is onderbouwd dat de Taliban zouden willen dat eiser op een andere manier bidt dan hij dat wil en verder belijdt eiser nog altijd de islam. Ook draagt eiser een baard en is niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer moeite zou hebben met de voorgeschreven lengte daarvan. Daarbij zijn eisers gestelde problemen met de Taliban, zoals eerder overwogen, niet ten onrechte ongeloofwaardig bevonden. 8.2. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan heeft te vrezen voor een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Artikel 8 EVRM 9. Als er in een asielaanvraag een impliciet dan wel een expliciet beroep op artikel 8 EVRM besloten ligt, moet verweerder deugdelijk motiveren waarom hij de vreemdeling geen verblijfsvergunning op grond daarvan verleent. Noch uit het voornemen dan wel het bestreden besluit blijkt dat verweerder dit kenbaar bij de beoordeling heeft betrokken. Verweerder heeft ter zitting aangegeven deze beoordeling niet te hebben gemaakt, nu eiser zijn huwelijk niet met stukken heeft onderbouwd. Weliswaar heeft eiser eerder in 2021 een machtiging tot voorlopig verblijf aangevraagd om bij [naam 3] te mogen verblijven, maar daaruit bleek enkel dat zij waren verloofd en de aanvraag is ook weer ingetrokken. 9.1. Uit het dossier dat bij de rechtbank is overgelegd blijkt echter dat eiser, voorafgaand aan het voornemen, een huwelijksakte van 27 september 2023 met vertaling daarvan heeft overgelegd. Eiser heeft daarmee wel degelijk zijn huwelijk onderbouwd. Ook heeft eiser, onder meer in het nader gehoor, verklaard dat hij een echtgenote heeft die hier te lande woont en een asielvergunning heeft. Verweerder had in het voorgaande in ieder geval een impliciet beroep op artikel 8 EVRM moeten zien. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom er onvoldoende aanleiding bestond om ambtshalve te beoordelen of eiser een verblijfsvergunning op die grond moet worden verleend. Nu deze motivering ontbreekt, ziet de rechtbank aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, nu het aan verweerder is om dit te beoordelen en te motiveren. Voor een bestuurlijke lus ziet de rechtbank evenmin aanleiding. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep van eiser is gegrond. Nu verweerder ten onrechte geen beoordeling op grond van artikel 8 EVRM in de besluitvorming heeft meegenomen, bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek. Het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank ziet gelet op wat is overwogen onder rechtsoverweging 9.1 geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. 10.1. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. 10.2. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 907,- per punt met een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond voor wat betreft het achterwege laten door verweerder van een ambtshalve beoordeling van artikel 8 EVRM; vernietigt op dat punt het bestreden besluit; draagt verweerder op om deze beoordeling alsnog te maken, met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.814,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Volledig
De omstandigheid dat [naam 2] en [naam 3] een asielvergunning is verleend, doet aan het voorgaande niet af, nu het in deze procedure gaat om de vrees die eiser zelf zegt te hebben. De overgelegde landeninformatie werpt geen ander licht op de zaak, nu die ziet op mensen die voor de overheid hebben gewerkt. Van belang hierbij is dat deze groep niet meer als risicoprofiel aangemerkt wordt en dat eiser niet onder deze categorie valt. Dat zijn jongste broer [naam 4] in 2025, dus enkele jaren na de door eiser verklaarde problemen, nog zou zijn meegenomen vanwege mogelijke banden met [naam 2], wordt niet gevolgd. Dit nu de familie, buiten de meldplicht die aan vader en [naam 4] zou zijn opgelegd, in de tussentijd geen problemen heeft ondervonden. 7.2. Kort voor de zitting heeft eiser nog een tweetal korte videofragmenten en een verklaring van [naam 3], de echtgenote van eiser, overgelegd. De verklaring van [naam 3] bevat een bevestiging van de huurovereenkomst en de omstandigheden rondom het gebruik van de bovenverdieping en hun vertrek uit Afghanistan. Deze verklaring leidt niet tot een ander oordeel, nu al is uitgegaan van de geloofwaardigheid van het bestaan van de huurovereenkomst tussen [naam 2] en eisers vader. De korte videofragmenten zijn volgens eiser van medio september 2025 en gesteld wordt dat hierop te zien is dat eisers vader door de Taliban wordt mishandeld. Eisers verklaring hierbij is dat zijn familie werd aangehouden terwijl zij Afghanistan illegaal per auto uit wilden reizen met hulp van een smokkelaar. Zij zijn opgepakt, zijn vader is van de rest van de familie gescheiden en sindsdien hebben zij hem niet meer gezien. De overige familieleden zijn na een dag weer vrijgelaten. Eiser en zijn broer zouden hierop ook telefonisch zijn bedreigd door de Taliban. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat niet valt te verifiëren dat de man op de beelden de vader van eiser is. Ook blijkt niet van welke datum deze beelden zijn of wat de aanleiding van dit incident is. Daarbij is van belang dat, zelfs als er van zou worden uitgegaan dat het de vader van eiser betreft, hieruit nog steeds niet blijkt dat eiser persoonlijk te vrezen heeft voor de Taliban. De enkele stelling van eiser dat hij telefonisch zou zijn bedreigd is niet onderbouwd, dus leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft hier dan ook, mede gelet op de overige tegenwerpingen, niet de waarde aan hoeven hechten die eiser eraan gehecht wil zien. 7.3. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder eisers problemen met de Taliban niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden. Vrees bij terugkeer 8. Niet is gebleken dat eiser ooit problemen heeft ondervonden vanwege zijn Tadzjiekse etniciteit. De brief van VWN waar eiser naar heeft verwezen, brengt daar geen verandering in, nu daarin algemene informatie is opgenomen en dit niet direct betrekking heeft op eiser. 8.1. Verder heeft eiser aangevoerd te zijn verwesterd en bij terugkeer niet voornemens te zijn om zich te confirmeren aan de leefregels van de Taliban. Zo draagt hij westerse kleding, draagt hij niet de vereiste lengte baard en wil hij op zijn manier kunnen bidden. Verweerder heeft kunnen tegenwerpen dat niet is gebleken dat eiser ooit problemen heeft gehad met de Taliban voor wat betreft hun leefregels. Evenmin is aannemelijk geworden dat er aanleiding is te veronderstellen dat dit bij terugkeer anders zal zijn. Van een principiële overtuiging van eiser op dit vlak, die bij terugkeer eventueel tot onoverkomelijke problemen kan leiden, is niet gebleken. Ditzelfde geldt voor het aangevoerde over het bidden. Niet is onderbouwd dat de Taliban zouden willen dat eiser op een andere manier bidt dan hij dat wil en verder belijdt eiser nog altijd de islam. Ook draagt eiser een baard en is niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer moeite zou hebben met de voorgeschreven lengte daarvan. Daarbij zijn eisers gestelde problemen met de Taliban, zoals eerder overwogen, niet ten onrechte ongeloofwaardig bevonden. 8.2. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan heeft te vrezen voor een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Artikel 8 EVRM 9. Als er in een asielaanvraag een impliciet dan wel een expliciet beroep op artikel 8 EVRM besloten ligt, moet verweerder deugdelijk motiveren waarom hij de vreemdeling geen verblijfsvergunning op grond daarvan verleent. Noch uit het voornemen dan wel het bestreden besluit blijkt dat verweerder dit kenbaar bij de beoordeling heeft betrokken. Verweerder heeft ter zitting aangegeven deze beoordeling niet te hebben gemaakt, nu eiser zijn huwelijk niet met stukken heeft onderbouwd. Weliswaar heeft eiser eerder in 2021 een machtiging tot voorlopig verblijf aangevraagd om bij [naam 3] te mogen verblijven, maar daaruit bleek enkel dat zij waren verloofd en de aanvraag is ook weer ingetrokken. 9.1. Uit het dossier dat bij de rechtbank is overgelegd blijkt echter dat eiser, voorafgaand aan het voornemen, een huwelijksakte van 27 september 2023 met vertaling daarvan heeft overgelegd. Eiser heeft daarmee wel degelijk zijn huwelijk onderbouwd. Ook heeft eiser, onder meer in het nader gehoor, verklaard dat hij een echtgenote heeft die hier te lande woont en een asielvergunning heeft. Verweerder had in het voorgaande in ieder geval een impliciet beroep op artikel 8 EVRM moeten zien. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom er onvoldoende aanleiding bestond om ambtshalve te beoordelen of eiser een verblijfsvergunning op die grond moet worden verleend. Nu deze motivering ontbreekt, ziet de rechtbank aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, nu het aan verweerder is om dit te beoordelen en te motiveren. Voor een bestuurlijke lus ziet de rechtbank evenmin aanleiding. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep van eiser is gegrond. Nu verweerder ten onrechte geen beoordeling op grond van artikel 8 EVRM in de besluitvorming heeft meegenomen, bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek. Het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank ziet gelet op wat is overwogen onder rechtsoverweging 9.1 geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. 10.1. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. 10.2. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 907,- per punt met een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond voor wat betreft het achterwege laten door verweerder van een ambtshalve beoordeling van artikel 8 EVRM; vernietigt op dat punt het bestreden besluit; draagt verweerder op om deze beoordeling alsnog te maken, met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.814,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).