Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-02
ECLI:NL:RBDHA:2025:27783
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
5,677 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:27783 text/xml public 2026-04-08T10:50:45 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-04-02 09/003803-24 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27783 text/html public 2026-04-08T10:50:15 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:27783 Rechtbank Den Haag , 02-04-2025 / 09/003803-24 Veroordeling voor bedreiging, mishandeling, poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving en het bezit van een nepvuurwapen. Wegens een relationeel conflict heeft de verdachte het slachtoffer in het openbaar met een nepvuurwapen – dat in de gegeven omstandigheden door het slachtoffer niet van echt kon worden onderscheiden – bedreigd, mishandeld en geprobeerd te dwingen in zijn auto te laten plaatsnemen. Voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en een taakstraf van 180 uur, met aftrek van voorarrest, opgelegd. Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummer: 09/003803-24 Datum uitspraak: 2 april 2025 Tegenspraak De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] , BRP-adres: [adres] [woonplaats] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 19 maart 2025. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. Z. Benguedda en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. P.B. Spaargaren naar voren is gebracht. 2 De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1 hij op of omstreeks 3 januari 2024 te Hillegom [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door van (zeer) korte afstand (meermalen) een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, op die [aangever] te richten en/of gericht te houden; 2 hij op of omstreeks 3 januari 2024 te Hillegom [aangever] heeft mishandeld door (met kracht) met een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, op het hoofd van die [aangever] te slaan; 3 hij op of omstreeks 3 januari 2024 te Hillegom, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [aangever] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden, een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, op die [aangever] heeft gericht en/of gericht gehouden en/of daarbij (meermalen) tegen die [aangever] heeft gezegd/gechreeuwd "je gaat nu instappen", althans woorden van gelijke strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 3 januari 2024 te Hillegom ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een ander, te weten [aangever] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid, gericht tegen die ander en/of derden, wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten in te stappen in de auto van verdachte en/of met verdachte mee te gaan, een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, op die [aangever] heeft gericht en/of gericht gehouden en/of daarbij (meermalen) tegen die [aangever] heeft gezegd/geschreeuwd dat hij moest instappen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 4 hij op of omstreeks 3 januari 2024 te Hillegom een vuurwapen van categorie II en/of III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 3 januari 2024 te Hillegom een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een revolver/pistool, althans een vuurwapen, heeft gedragen en/of vervoerd, althans voorhanden gehad. 3 De bewijsbeslissing 3.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 4 primair tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het overige (primair) tenlastegelegde. 3.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 3 primair en subsidiair en 4 primair tenlastegelegde bepleit. Voor het overige heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 3.3. Gebruikte bewijsmiddelen De rechtbank zal voor de feiten 1, 2 en 4 (subsidiair) met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring. Voor feit 3 (primair) heeft de rechtbank hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben. Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met onderzoeksnummer DH6R024001, van de politie eenheid Den Haag, district Leiden-Bollenstreek, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 172). Ten aanzien van feit 1, 2, 4 (subsidiair) 1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 19 maart 2025; 2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , opgemaakt op 4 januari 2024 (p. 79-80). Ten aanzien van feit 3 (primair) 1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , opgemaakt op 4 januari 2024, voor zover inhoudende (p. 79-80): Op 3 januari 2024, in Hillegom, zag ik dat de bestuurder van een auto uitstapte. Ik herkende hem als [verdachte] . Ik zag dat hij een vuurwapen op mij richtte. Ik hoorde dat hij tegen mij zei: “je gaat nu instappen”. 2. Het proces-verbaal van verhoor van [getuige] , opgemaakt op 4 januari 2024, voor zover inhoudende (p. 91): Ik zag dat [verdachte] uitstapte en een pistool op ons ( de rechtbank begrijpt: de getuige en [aangever] ) richtte. Ik hoorde [verdachte] zeggen “stap de auto in”. Hij keek hierbij [aangever] aan. 3.4. Bewijsoverwegingen Ten aanzien van feit 4 Vrijspraak van het primair tenlastegelegde De rechtbank is met betrekking tot het onder 4 primair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen, omdat het voorwerp dat de verdachte in zijn bezit had niet is aangetroffen en daarom niet nader is onderzocht, en ook uit overige feiten en omstandigheden niet kan worden afgeleid dat daadwerkelijk sprake was van een bruikbaar vuurwapen. Bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde De rechtbank zal wel het onder 4 subsidiair ten laste gelegde feit bewezen verklaren, aangezien de verdachte dit feit heeft bekend. Daarnaast heeft ook de aangever verklaard dat de verdachte een op een vuurwapen gelijkend voorwerp vasthield, waardoor bij de aangever de oprechte vrees ontstond dat de verdachte hem wat met het voorwerp zou kunnen aandoen. Die verklaring geeft er blijk van dat het nepvuurwapen een zodanige gelijkenis met een echt vuurwapen had, dat het voor bedreiging geschikt was. Ten aanzien van feit 3 Aan de verdachte is onder 3 ten laste gelegd dat hij – kort gezegd – erop uit was om onder dwang [aangever] in zijn auto te laten stappen.
Volledig
Hiermee zou de verdachte zich schuldig hebben gemaakt aan (primair) een poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving, dan wel (subsidiair) een poging tot dwang. De verdachte heeft zelf over deze verdenking verklaard dat hij zich niet kan herinneren de aangever te hebben vermaand in zijn auto te stappen en dat hij ook geenszins de intentie heeft gehad om de aangever te ontvoeren. Bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde De rechtbank is, op grond van de bewijsmiddelen, van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving en overweegt hiertoe als volgt. Zowel de aangever als een getuige hebben gedetailleerd en op hoofdlijnen eensluidend verklaard dat de verdachte een (nep)vuurwapen op de aangever heeft gericht en dat hij hierbij de aangever sommeerde om in zijn, verdachte’s auto te stappen. Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken van indicaties die de rechtbank zouden moeten doen twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen. De rechtbank stelt dan ook vast dat de verdachte inderdaad de ten laste gelegde handelingen heeft begaan. Uit jurisprudentie volgt dat van wederrechtelijke vrijheidsberoving sprake is als de verdachte een ander – zonder daartoe gerechtigd te zijn – doet vertoeven op een plaats, waaronder ook kan vallen een voertuig, waarvan of waaruit deze zich niet op ieder gewenst moment kan verwijderen en deze daardoor is beroofd van de vrijheid om te gaan en staan waar hij wil (HR 23 april 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8856, NJ 1985/891); dat hierbij, zoals de raadsman heeft gesteld, sprake dient te zijn van een vrijheidsberoving van “enige duur”, wordt niet door vaste jurisprudentie ondersteund (vgl. A-G Leijten in zijn conclusie voor genoemd arrest). De rechtbank is van oordeel dat de handelingen van de verdachte, naar hun uiterlijke verschijningsvorm, niet anders kunnen worden uitgelegd dan als een begin van uitvoering van een door de verdachte voorgenomen plan om het slachtoffer tegen diens wil te laten plaatsnemen in zijn auto, waarbij het slachtoffer door de dreiging met een (nep)vuurwapen niet vrij zou zijn geweest om te gaan en staan waar hij wilde en daarmee – hoe kort mogelijk dan ook – van zijn vrijheid zou zijn beroofd. De rechtbank acht hierom het onder 3 primair tenlastegelegde bewezen. 3.5. De bewezenverklaring De rechtbank is met betrekking tot de onder 1, 2, 3 (primair) en 4 (subsidiair) ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: 1 hij op 3 januari 2024 te Hillegom [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door van zeer korte afstand een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [aangever] te richten; 2 hij op 3 januari 2024 te Hillegom [aangever] heeft mishandeld door met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd van die [aangever] te slaan; 3 hij op 3 januari 2024 te Hillegom, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [aangever] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven, een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [aangever] heeft gericht en daarbij tegen die [aangever] heeft gezegd "je gaat nu instappen", althans woorden van gelijke strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 4 hij op 3 januari 2024 te Hillegom een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad. Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad. 4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 5 De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6 De strafoplegging 6.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling en het meewerken aan middelencontroles. 6.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij het onvoorwaardelijke strafdeel gelijk is aan de tijd in voorarrest doorgebracht, met bijzondere voorwaarden en eventueel een taakstraf op te leggen. 6.3. Het oordeel van de rechtbank Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ernst van de feiten De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging, mishandeling, poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving en het bezit van een nepvuurwapen. Wegens een relationeel conflict heeft hij het slachtoffer in het openbaar met een nepvuurwapen – dat in de gegeven omstandigheden door het slachtoffer niet van echt kon worden onderscheiden – bedreigd, mishandeld en geprobeerd te dwingen in zijn auto te laten plaatsnemen. Het slachtoffer vreesde hierdoor dat zijn laatste uur mogelijk had geslagen. Met zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en, zowel bij het slachtoffer als bij omstanders, gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht. Strafblad De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 18 februari 2025, waaruit blijkt dat hij niet recentelijk voor strafbare feiten is veroordeeld. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van meerdere reclasseringsadviezen en een voortgangsverslag over de verdachte, waarvan de meest recente van 24 februari 2025 dateert. Uit deze rapporten komt naar voren dat middelengebruik, het sociale netwerk van de verdachte en zijn psychosociaal functioneren als delictgerelateerde risicofactoren gelden. Meest recent is het recidiverisico als laag ingeschat. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden – te weten een meldplicht, ambulante behandeling en het meewerken aan middelencontrole – op te leggen. De op te leggen straf De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. De verdachte heeft echter, in de tussentijd van het delict en de terechtzitting, onder reclasseringstoezicht zijn leven aanzienlijk gebeterd. De rechtbank wil deze positieve ontwikkeling niet doorkruisen en zal dan ook van de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf afzien. Daarnaast weegt de rechtbank in positieve zin mee dat de verdachte op de terechtzitting inzicht in het verwerpelijke van zijn handelen heeft getoond en volledige verantwoordelijkheid voor zijn daden heeft genomen. De rechtbank acht, alles afwegende, een taakstraf van 180 uren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, passend en geboden. Daarnaast acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
Volledig
Deze voorwaardelijke gevangenisstraf gaat gepaard met een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn voorgesteld. De rechtbank kiest ervoor om een proeftijd van drie jaar op te leggen, omdat zij in het (voormalige) middelengebruik, het sociale netwerk en het psychosociaal functioneren van de verdachte risicofactoren voor recidive ziet die rechtvaardigen dat, indien nodig, langer dan gebruikelijk toezicht op de verdachte wordt gehouden. 7 De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel [aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 3.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat geheel uit immateriële schade. 7.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot een hoogte van € 2.500,- en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering voor het overige. 7.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht het toe te wijzen bedrag wegens een gebrek aan onderbouwing te matigen tot € 500,-. 7.3 Het oordeel van de rechtbank Immateriële schade De rechtbank overweegt dat voldoende vaststaat dat aan de benadeelde partij door de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten (respectievelijk de bedreiging met een nepvuurwapen en de mishandeling) rechtstreeks immateriële schade is toegebracht, nu hij door het handelen van de verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen en op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De bedreiging met een nepvuurwapen heeft namelijk een groot gevoel van onveiligheid bij de benadeelde partij teweeggebracht, waardoor sprake is geweest van een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Uit de overgelegde medische informatie volgt verder dat het slachtoffer vier dagen na de mishandeling nog last had van hoofdpijn. De rechtbank vindt dan ook een vergoeding voor de door hem geleden immateriële schade op zijn plaats. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op de vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.500,-. Toe te wijzen bedrag De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.500,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2024. Proceskosten Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Schadevergoedingsmaatregel De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.500,-, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 januari 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever] . 8 De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen: - 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57, 282, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht; - 13 en 55 van de Wet wapens en munitie. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden. 9 De beslissing De rechtbank: verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 primair en 4 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezen verklaarde uitmaakt: ten aanzien van feit 1: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht; ten aanzien van feit 2: mishandeling; ten aanzien van feit 3 (primair): poging tot opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven; ten aanzien van feit 4 (subsidiair): handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar; veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 3 (DRIE) MAANDEN ; bepaalt dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde: meldplicht - zich gedurende de proeftijd meldt bij SVG Reclassering Fivoor, adres Perzikweg 1-7 te Leiden, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht; meewerken aan middelencontrole - zich gedurende de proeftijd onthoudt van het gebruik van verdovende middelen en alcohol en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek; ambulante behandeling - zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van Ambulant Centrum Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn problematiek; geeft opdracht aan SVG Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden; voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd: - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.