Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-16
ECLI:NL:RBDHA:2025:27719
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,996 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:27719 text/xml public 2026-03-25T12:02:52 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-10-16 24/6268 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27719 text/html public 2026-03-25T11:44:11 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:27719 Rechtbank Den Haag , 16-10-2025 / 24/6268 Hersteloperatie toeslagen. Wht. Kinderopvangtoeslag. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/6268 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2025 in de zaak tussen [eiseres], uit [woonplaats], eiseres (gemachtigde: mr. K.J. Kerdel), en de Dienst Toeslagen, verweerder (gemachtigden: mr. W.E. Louwerse en mr. F. Tarrahi). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van verweerder om aan eiseres compensatie toe te kennen voor het jaar 2012. 1.1. Verweerder heeft bij afzonderlijke besluiten van 10 december 2021 het verzoek om compensatie afgewezen voor de jaren 2012, 2013, 2014 en 2016. 1.2. Met het bestreden besluit van 31 mei 2024 is verweerder daarbij gebleven. 1.3. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 24 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiseres heeft zich op 3 februari 2021 bij verweerder gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2012 tot en met 2016. 2.1. Met het primaire besluit I van 10 december 2021 heeft verweerder, onder overneming van het advies van de Commissie van Wijzen (de CvW), aan eiseres medegedeeld dat niet is gebleken dat bij de beoordeling van de kinderopvangtoeslag van eiseres over de jaren 2012, 2013, 2014 en 2016 fouten zijn gemaakt. Van institutioneel vooringenomen handelen door verweerder is volgens verweerder over deze jaren daarom geen sprake geweest. 2.2. Met het primaire besluit II van 10 december 2021 heeft verweerder onder overneming van het advies van de CvW, aan eiseres medegedeeld dat niet is gebleken dat bij de beoordeling van de kinderopvangtoeslag van eiseres over de jaren 2012, 2013, 2014 en 2016 sprake is geweest van hardheid op basis waarvan zij compensatie zou moeten krijgen. 2.3. Met het besluit van 6 april 2023 heeft eiseres voor het jaar 2015 wel compensatie gekregen, vanwege vooringenomenheid van verweerder. 2.4. Met het bestreden besluit is verweerder, onder overneming van het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie (de BAC) bij de weigering van de compensatie voor de jaren 2012, 2013, 2014 en 2016 gebleven. Wat vindt eiseres in beroep? 3. Eiseres vindt dat zij voor het jaar 2012 in aanmerking moet komen voor compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht), omdat primair sprake is van vooringenomen handelen. Verweerder besloot in september 2014 de kinderopvangtoeslag over het jaar 2012 te verlagen en terug te vorderen op basis van contra-informatie, zonder eiseres de kans te geven daarop te reageren. Er is bewust geen nadere informatie uitgevraagd naar aanleiding van de door eiseres verstrekte bewijsstukken. Daarbij komt dat uit het dossier blijkt dat verweerder zelf, door geen rekening te houden met de begeleidingskosten, van een te laag uurtarief is uitgegaan, terwijl eiseres wel de juiste gegevens had aangeleverd. Dit klemt te meer nu de toeslag over het jaar 2012 pas bij besluit van 5 augustus 2016 op de juiste wijze is berekend, terwijl uit het dossier blijkt dat eiseres begin augustus 2014 de jaaropgave van 2012 had opgestuurd. Er is ten onrechte een bedrag van € 1.254 teruggevorderd. Eiseres kreeg het door haar teveel terugbetaalde bedrag uiteindelijk weer terug maar op haar bezwaar tegen de terugvordering is nooit een schriftelijk besluit gekomen. Verweerder heeft dan ook ten onrechte geconcludeerd dat over het jaar 2012 enkel sprake zou zijn van reguliere aanpassingen van de kinderopvangtoeslag. 3.1. Subsidiair stelt eiseres dat sprake is van hardheid, gelet op de bijzondere omstandigheden die van invloed zijn geweest op de terugvordering. Bij eiseres is in een periode van acht maanden ruim € 2.000 geïnd. Deze invordering kwam bovenop de invorderingen over andere toeslagenjaren waarin vooringenomen was gehandeld. 3.2. Meer subsidiair is eiseres van mening dat zij op één lijn moet worden gesteld met iemand die een onterechte kwalificatie opzet/grove-schuld (O/GS) heeft. De invordering was fors gezien de hoogte van het inkomen van eiseres. Ook is de invordering niet stopgezet nadat er bezwaar is gemaakt in januari 2016. 3.3. Het voorgaande maakt dat het bestreden besluit in strijd is met de wet, niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen en niet kan worden gedragen door de gegeven motivering. Ook het advies van de BAC kan niet aan het bestreden besluit ten grondslag worden gelegd, omdat zij onjuiste conclusies heeft getrokken. Hoewel de BAC constateert dat sprake is van onzorgvuldigheid in de besluitvorming worden hier geen consequenties aan verbonden. 3.4. Verder is het dossier niet compleet. Eiseres acht het van belang dat verweerder alle brieven met betrekking tot de invordering en verrekening aan het dossier toevoegt zodat duidelijk wordt hoe de terugvordering en invordering zijn verlopen. Tot slot verzoekt eiseres om een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Wat zijn de regels? 4. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt van de hersteloperatie is dat gedupeerde ouders alsnog ontvangen wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met een vergoeding voor materiële en immateriële schade. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wht volgt dat verweerder compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem in de periode vóór 23 oktober 2019 bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem vóór 23 oktober 2019 werd toegepast. Om voor compensatie in aanmerking te komen dient dus in ieder geval sprake te zijn van schade die de aanvrager daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van de institutionele vooringenomenheid of van de hardheid die heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening. De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. Van een ernstige onregelmatigheid is in ieder geval sprake als uit het dossier blijkt dat er evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond, bijvoorbeeld als het kind waarvoor toeslag is aangevraagd niet blijkt te bestaan, ouder is dan de geldende leeftijdsgrens of in het geheel geen opvang heeft genoten. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen enkel het weigeren van compensatie over het toeslagjaar 2012 in geschil is. Ontbrekende stukken 6. Op grond van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet verweerder alle op de zaak betrekking hebbende stukken overleggen. Onder de op de zaak betrekking hebbende stukken wordt verstaan de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het bestreden besluit. Met het verweerschrift heeft verweerder nog een stuk overgelegd. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het in beroep verstrekken van het gevraagde stuk niet maakt dat het dossier niet volledig was, omdat ook zonder het gevraagde stuk uit de andere stukken blijkt dat eiseres niet vooringenomen is behandeld met betrekking tot de kinderopvangtoeslag over het jaar 2012. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder niet in dit standpunt te volgen.
Volledig
Verder heeft eiseres in beroep niet concreet aannemelijk gemaakt dat verweerder nog over informatie beschikt die van belang is voor de beoordeling van het bestreden besluit. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien waarom alle brieven met betrekking tot de terugvorderingen en verrekeningen voor het jaar 2012 van belang zijn voor de vraag of sprake is van vooringenomen handelen. Van schending van artikel 8:42 van de Awb, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet gebleken. Vooringenomenheid 7. De rechtbank stelt voorop dat de herstelregelingen niet zijn bedoeld om fouten die in het verleden bij de besluitvorming, waaronder het behandelen van bezwaarschriften, over het recht op kinderopvangtoeslag mogelijk zijn gemaakt te herstellen. De vraag of de kinderopvangtoeslag van eiseres over het jaar 2012 juist is vastgesteld ligt hier daarom niet voor. Het gaat om de vraag of verweerder over het jaar 2012 jegens eiseres vooringenomen heeft gehandeld. 7.1. Eiseres heeft ter zitting nader toegelicht dat voor de jaren 2008, 2009 en 2015 wel institutionele vooringenomenheid is aangenomen, er geen nadere informatie bij eiseres is opgevraagd na het verstrekken van de jaaropgave, verweerder de bemiddelingskosten ten onrechte niet heeft meegerekend en er geen beslissing op bezwaar is genomen nadat eiseres tegen de brief van 29 december 2015 bezwaar had ingesteld. Deze omstandigheden in samenhang maken volgens eiseres dat ten onrechte geen vooringenomen handelen door verweerder is aangenomen. 7.2. De rechtbank is van oordeel dat de handelswijze van verweerder niet de schoonheidsprijs verdient, maar dat dit niet betekent dat sprake is van vooringenomen handelen. De wijzigingen voor het jaar 2012 hebben plaatsgevonden op basis van informatie die is aangeleverd door eiseres. Onder andere aanpassingen aan het gezinsinkomen (gezamenlijk toetsingsinkomen), de urenopvang en het uurtarief. De hogere terugvordering is ontstaan omdat aanvankelijk werd uitgegaan van een hoger aantal opvanguren en een lager toetsingsinkomen. De terugvordering is nadien aangepast en verlaagd omdat werd uitgegaan van een te laag uurtarief. Aangezien eiseres de jaaropgave zelf heeft aangeleverd en verweerder hiervan (in eerste instantie) niet van is afgeweken, is de rechtbank van oordeel dat verweerder geen zienswijze heeft hoeven opvragen. Hierbij neemt de rechtbank mee dat eiseres bij het verstrekken van de jaaropgave bijvoorbeeld niet heeft opgemerkt dat de gegevens niet juist zijn. Verweerder hoefde in dit geval dan ook niet nadere informatie op te vragen bij eiseres, omdat er geen sprake was van een gebleken tekortkoming in de overgelegde bewijsstukken. 7.3. Hoewel de bemiddelingskosten in eerste instantie niet zijn meegerekend en verweerder deze fout heeft erkend, duidt dit niet op handelen met vooringenomenheid door verweerder. Dit geldt ook voor het niet verkrijgen van een beslissing op bezwaar naar aanleiding van het indienen van een bezwaarschrift. Verweerder heeft erkend dat het niet beslissen op het bezwaarschrift weliswaar onzorgvuldig kan worden genoemd, maar met verweerder is de rechtbank van oordeel dat dit niet maakt dat sprake is van vooringenomen handelen door verweerder. Dat in eerdere jaren wel institutionele vooringenomenheid is aangenomen maakt niet dat dit één op één ook van toepassing is voor het toeslagjaar 2012. Hardheid 8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van hardheid. Allereerst is de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2012 van eiseres niet op nihil gesteld. Daarnaast volgt uit de wetsgeschiedenis dat de financiële situatie of financiële problemen van een belanghebbende, die terugbetaling van toeslagen verhinderen, in het algemeen niet zullen leiden tot de conclusie dat diegene gedupeerd is door hardheid. Voor deze situatie bestaat de mogelijkheid van een (persoonlijke) betalingsregeling. Daarnaast is geen sprake van bijzondere omstandigheden als een terugvordering het gevolg is van een afwijking tussen het daadwerkelijk afgenomen aantal uren kinderopvangtoeslag en het aantal uren kinderopvang waarvoor het voorschot is berekend. Verder is geen sprake van een bijzondere omstandigheid als de terugvordering het gevolg is van een afwijking tussen het daadwerkelijk over het berekeningsjaar vastgestelde toetsingsinkomen en het geschatte inkomen op basis waarvan het voorschot is verstrekt. De bijzondere omstandigheden die eiseres naar voren heeft gebracht zijn door de wetgever voorzien en zijn niet redengevend gevonden om compensatie op grond van hardheid toe te kennen. Opzet/grove-schuld 9. Om voor de O/GS-kwalificatie in aanmerking te komen moet sprake zijn van een onterechte beschuldiging van opzet of grove schuld en dat om die reden een betalingsregeling is geweigerd. Aan beide voorwaarden voldoet eiseres niet, waardoor zij niet gelijkgesteld kan worden met personen die wel die kwalificatie hebben gehad. Algemene beginselen van behoorlijk bestuur 10. Gelet op het voorgaande is de rechtbank niet gebleken dat sprake is van schending van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel dan wel van andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn 11. Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Naar vaste rechtspraak geldt het uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren, behoudens bijzondere omstandigheden. Uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding is een tarief van € 500 per half jaar waarmee de termijn is overschreden, naar boven afgerond. 11.1. Verweerder heeft het bezwaarschrift op 20 januari 2022 ontvangen en daarop beslist met het bestreden besluit van 31 mei 2024. Tot de datum van deze uitspraak zijn (afgerond) 45 maanden verstreken. Het voorgaande leidt tot een overschrijding van de redelijke termijn met 21 maanden en daarmee tot een vergoeding van € 2.000. 11.2. De overschrijding is volledig toe te rekenen aan verweerder. Gelet hierop zal de rechtbank verweerder veroordelen tot betaling van een vergoeding van € 2.000. Conclusie en gevolgen 12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. 12.1. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres het griffierecht niet terug en krijgt zij geen vergoeding voor haar in verband met het beroep gemaakte proceskosten. 12.2. Omdat het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen, wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiseres die verband houden met haar verzoek om schadevergoeding. De rechtbank stelt deze proceskostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 453,50 in verband met de door de gemachtigde van eiseres beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het verzoek met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor van 0,5). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - veroordeelt verweerder tot vergoeding van de schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 2.000; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.