Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-17
ECLI:NL:RBDHA:2025:27565
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,043 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2025:27565 text/xml public 2026-02-27T11:10:24 2026-02-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-04-17 AWB 24/16886 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27565 text/html public 2026-02-27T11:03:44 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:27565 Rechtbank Den Haag , 17-04-2025 / AWB 24/16886 Regulier - mvv - verblijf als familie- of gezinslid - Referente is de tante van eiser - eiser is het buitenlands pleegkind van referente - komt eiser in aanmerking voor een verblijfsvergunning buitenlands pleegkind? - artikel 8 van het EVRM - beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 24/16886 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2025 in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A. Roozdar), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel “verblijf als familie- of gezinslid”. 1.1. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 28 juni 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referente, de gemachtigde van eiser en T. Oolman-Bakah als tolk. De gemachtigde van verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2012 en heeft de Ghanese nationaliteit. Eiser heeft op 15 augustus 2022 een aanvraag ingediend voor een mvv met als doel “verblijf als familie- of gezinslid bij [referente] ” (referente). Referente is de tante van eiser. Eisers vader is in 2017 overleden en zijn moeder is in 2019 hertrouwd. Eiser is het buitenlandse pleegkind van referente. 3. Verweerder heeft de aanvraag getoetst aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning voor een buitenlands pleegkind. Deze voorwaarden volgen uit artikel 3.28 van het Vb. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in het land van herkomst geen aanvaardbare toekomst heeft. Hiervan is sprake als er omstandigheden zijn waardoor eiser niet door naaste familieleden in Ghana kan worden verzorgd of wanneer dat heel moeilijk zou zijn. In het geval van eiser is niet gebleken dat de moeder van eiser of andere familieleden hem niet zouden kunnen verzorgen of dat dit heel moeilijk zal zijn. Ten slotte acht verweerder het bestreden besluit niet in strijd met artikel 8 van het EVRM , nu niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van gezins- of familieleven als bedoeld in die bepaling. Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat zijn band met referente sterker is dan de gebruikelijke band tussen een neef en tante. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Met betrekking tot de beoordeling van pleegkindbeleid heeft verweerder onvoldoende gewicht toegekend aan het feit dat de moeder van eiser niet voor hem kan zorgen en gedwongen was afstand van hem te doen. Eiser heeft geen aanvaardbare toekomst in Ghana. Met betrekking tot artikel 8 van het EVRM voert eiser aan dat enkel het bestaan van een relatie tussen een pleegouder en pleegkind al voldoende is voor het aannemen van familieleven. Daarnaast bestaan er wel degelijk nauwe persoonlijke banden tussen eiser en referente. Ter onderbouwing van dit standpunt voert eiser aan dat referente zijn pleegmoeder is, hem maandelijks financieel ondersteunt, zij wekelijks telefonisch contact hebben met elkaar, referente hem jaarlijks bezoekt in Ghana en uit de overgelegde verklaringen volgt dat eiser erg gehecht is aan referente. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Verblijfsvergunning buitenlands pleegkind 6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt mocht stellen dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning voor een buitenlands pleegkind. Verweerder heeft er daarbij terecht op gewezen dat niet is gebleken dat het niet mogelijk is voor de moeder van eiser om voor hem te zorgen en dat dit ook van haar verwacht mag worden. Dat de echtgenoot van eisers moeder, naar gesteld, niet voor eiser wenst te zorgen betekent niet dat de moeder van eiser geheel niet in staat is om voor hem te zorgen. Verder heeft eiser onvoldoende onderbouwd dat de andere familieleden in Ghana de zorg voor eiser niet op zich zouden kunnen nemen. Artikel 8 van het EVRM 7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet in aanmerking komt voor verblijf in Nederland op grond artikel 8 van het EVRM omdat geen sprake is van familieleven dat onder de bescherming van dit artikel valt. Verweerder heeft zich daarbij op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de band tussen eiser en referente sterker is dan gebruikelijk tussen een neef en zijn tante. Referente woont sinds 2000 in Nederland en nergens blijkt uit dat referente ooit in gezinsverband met eiser heeft samengewoond. Referente heeft bezoeken aan Ghana gebracht, maar dat was voor kortere perioden en eiser is nooit in Nederland geweest. Ook heeft eiser geen bewijsstukken toegestuurd, waaruit blijkt dat hij frequent en intensief contact heeft met referente. Verweerder heeft verder kunnen betrekken dat referente eiser sinds vijf jaar financieel ondersteunt, zij op afstand zijn verzorging regelt en zij hem jaarlijks in Ghana bezoekt, maar dat deze feiten niet aannemelijk maken dat er daardoor een hechte persoonlijke band is ontstaan. Ook heeft verweerder kunnen wijzen op het feit dat eiser altijd in Ghana heeft gewoond, hij de taal spreekt, bekend is met de Ghanese cultuur en gewoonten en daar naar school gaat. Nu verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat er tussen referente en eiser geen sprake is van zodanig hechte persoonlijke banden dat sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, heeft verweerder gelet op de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 27 maart 2024 ook geen belangenafweging hoeven maken. De rechtbank begrijpt dat eiser graag bij zijn tante wil wonen en dat referente bezorgd is over eiser en graag zou zien dat hij bij haar in Nederland komt wonen, maar in het licht van wat hiervoor is overwogen mocht verweerder zijn aanvraag afwijzen. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. P.P. Schaap, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenbesluit 2000. Paragraaf B7/3.7.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.