Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-12-24
ECLI:NL:RBDHA:2025:27512
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,157 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:27512 text/xml public 2026-02-20T12:36:37 2026-02-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-12-24 AWB - 25 _ 6262 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Mondelinge uitspraak Proces-verbaal NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27512 text/html public 2026-02-20T12:36:16 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:27512 Rechtbank Den Haag , 24-12-2025 / AWB - 25 _ 6262 In geschil is of de naheffingsaanslagen loonbelasting voor de jaren 2021, 2022 en 2023 en de daarbij opgelegde verzuimboetes terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer specifiek is in geschil de hoogte van het gebruikelijk loon. De beroepen zijn ongegrond. Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummers: SGR 25/6262, SGR 25/6410, SGR 25/6407 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 december 2025 in de zaak tussen [eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: D.C.H. Heijmink), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van verweerder van 15 juli 2025 op de bezwaren van eiseres tegen de aan eiseres voor de jaren 2021, 2022 en 2023 opgelegde naheffingsaanslagen loonbelasting (de naheffingsaanslagen), de daarbij opgelegde verzuimboetes en de in rekening gebrachte belastingrente (de rentebeschikkingen). Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2025. Namens eiseres is verschenen [naam 1] en de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 2] en mr. [naam 3] . Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Overwegingen 1. Eiseres is opgericht op 26 februari 1997. De directeur/enig aandeelhouder van eiseres is [naam 1] ( [naam 1] ). 2. Eiseres houdt 55% van de aandelen in [bedrijfsnaam] B.V. en is één van de twee bestuurders van deze vennootschap. 3. De activiteiten van [bedrijfsnaam] B.V. bestaan uit het voeren van een administratiekantoor (hierna: het administratiekantoor). 4. De overige aandelen van het administratiekantoor worden (indirect) gehouden door drie werknemers, onder wie [naam 4] ( [naam 4] ) die 25% van die aandelen houdt. 5. In de loonaangiften van eiseres voor de jaren 2021, 2022 en 2023 is een loon opgenomen van [naam 1] van respectievelijk € 80.500, € 81.000 en € 81.000. 6. Verweerder heeft op 6 februari 2023 bij eiseres en het administratiekantoor boekenonderzoeken aangekondigd naar de aanvaardbaarheid van onder andere de aangiften loonheffingen voor de jaren 2021, 2022 en 2023. 7. De bevindingen van de boekenonderzoeken zijn vastgelegd in controlerapporten, gedagtekend 11 februari 2025 en 18 februari 2025. Verweerder heeft geconcludeerd dat het gebruikelijk loon van [naam 1] voor de jaren 2021, 2022 en 2023 moet worden vastgesteld op respectievelijk € 93.838, € 96.425 en € 96.246, welke bedragen overeenkomen met het loon van [naam 4] . 8. Op 28 en 29 april 2025 zijn de naheffingsaanslagen opgelegd. Voor het jaar 2021 is de naheffingsaanslag (na vermindering) opgelegd naar een te betalen bedrag van € 9.725, bestaande uit € 7.372 aan na te heffen loonheffingen, een verzuimboete van € 737 en € 1.616 aan belastingrente. Voor het jaar 2022 is de naheffingsaanslag opgelegd naar een te betalen bedrag van € 10.679, bestaande uit € 8.550 aan na te heffen loonheffingen, een verzuimboete van € 855 en € 1.274 aan belastingrente. En voor het jaar 2023 is de naheffingsaanslag opgelegd naar een te betalen bedrag van € 10.263, bestaande uit € 8.560 aan na te heffen loonheffingen, een verzuimboete van € 856 en € 847 aan belastingrente. 9. Verweerder heeft de bezwaren tegen de naheffingsaanslagen, de verzuimboetes en de rentebeschikkingen op 15 juli 2025 ongegrond verklaard. Geschil 10. In geschil is of de naheffingsaanslagen en de verzuimboetes terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer specifiek is in geschil of het gebruikelijk loon van [naam 1] terecht is vastgesteld op respectievelijk € 93.838 (2021), € 96.425 (2022) en € 96.246 (2023). 11. Eiseres stelt dat de naheffingsaanslagen, en daarmee de verzuimboetes en rentebeschikkingen, ten onrechte zijn opgelegd, omdat het aangegeven loon juist is bepaald. 12. Verweerder stelt dat de naheffingsaanslagen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd, omdat het loon is verhoogd naar het hoogste loon van de werknemer in dienst van een verbonden lichaam (als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964). Wettelijk kader 13. Artikel 12a, eerste en tweede lid, van de Wet LB 1964 luidt, voor zover van belang (wettekst 2021 en 2022): “1. Ten aanzien van de werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft, wordt het in het kalenderjaar van dat lichaam genoten loon ten minste gesteld op het hoogste van de volgende bedragen: a. 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking; b. het hoogste loon van de werknemers die in dienst zijn van het lichaam, bedoeld in de aanhef, of met het lichaam verbonden lichamen; (…) 2. Indien de inhoudingsplichtige aannemelijk maakt dat het hoogste bedrag, bedoeld in het eerste lid, hoger is dan 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, wordt het loon in afwijking van het eerste lid gesteld op 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, met dien verstande dat het loon ten minste wordt gesteld op het bedrag, genoemd in het eerste lid, onderdeel c, of, indien het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager is dan dat bedrag, op het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking.” 14. Artikel 12a, eerst een tweede lid, van de Wet LB 1964 luidt, voor zover van belang (wettekst 2023): “1. Ten aanzien van de werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft, wordt het in het kalenderjaar van dat lichaam genoten loon ten minste gesteld op het hoogste van de volgende bedragen: a. het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking; b. het hoogste loon van de werknemers die in dienst zijn van het lichaam, bedoeld in de aanhef, of met het lichaam verbonden lichamen; (…) 2. Indien de inhoudingsplichtige aannemelijk maakt dat het hoogste bedrag, bedoeld in het eerste lid, hoger is dan het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, wordt het loon in afwijking van het eerste lid gesteld op het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking.” 15. Artikel 12a, (thans) vijfde (in 2021 en 2022: zevende) lid, onderdeel c, van de Wet LB 1964 geeft de volgende definitie van ‘meest vergelijkbare dienstbetrekking’: “5. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: (...) c. meest vergelijkbare dienstbetrekking: de dienstbetrekking die van alle dienstbetrekkingen: 1°. waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt; 2°. die bekend zijn bij de inhoudingsplichtige en de inspecteur; 3°. waarvan het loon bekend is of in redelijkheid geschat kan worden; en 4°. waarvan het loon niet op een ander bedrag is vastgesteld dan in het economische verkeer gebruikelijk is; het meest vergelijkbaar is met de dienstbetrekking van de werknemer, bedoeld in het eerste lid, aanhef;” Gebruikelijk loon 16. Gelet op bovenstaande bepalingen is verweerder in de jaren 2021, 2022 en 2023 in beginsel terecht uitgegaan van het loon van [naam 4] , die in die jaren de meest verdienende werknemer was bij het administratiekantoor. Eisen aan functie- en beloningsverhoudingen van een zodanige werknemer stelt de Wet LB 1964 niet. Het is vervolgens aan eiseres om aannemelijk te maken dat die bedragen hoger zijn dan (voor 2021 en 2022: 75% van) het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking. In dat geval wordt het loon van [naam 1] gesteld op (voor 2021 en 2022: 75% van) het loon uit die dienstbetrekking. 17.
Volledig
Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt, onder verwijzing naar een door haar uitgevoerd salarisonderzoek, gesteld dat een algemeen directeur (van een administratiekantoor) als meest vergelijkbare dienstbetrekking van [naam 1] moet worden beschouwd en een loon geniet tussen de € 5.500 en € 7.000 per maand. Volgens eiseres past een loon van meer dan € 6.000 per maand (€ 72.000 per jaar), gelet op de beperkte commerciële taken en de vooral op interne bedrijfsvoering gerichte werkzaamheden van [naam 1] , zeker niet. Het door eiseres uitbetaalde jaarloon aan [naam 1] valt binnen de hiervoor bedoelde bandbreedte, zodat volgens eiseres wordt voldaan aan artikel 12a, tweede lid, van de Wet LB 1964. Volgens eiseres geldt dit des te meer voor de jaren 2021 en 2022 vanwege de doelmatigheidsmarge van 25%. 18. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres niet geslaagd in de op haar rustende bewijslast. Eiseres heeft te weinig concreet onderbouwd wat het loon van de meest vergelijkbare dienstbetrekking zou zijn, mede in het licht van wat eiseres zelf heeft verklaard over de jarenlange werkervaring (van 30 jaar), het aantal werkuren (zo’n 60 uur per week) en de rol die [naam 1] vervult binnen het administratiekantoor (samen met [naam 4] eindverantwoordelijk zijn, verantwoordelijk zijn voor het personeelsbeleid en alle andere personele zaken, het opstellen van de begroting en bewaken van de facturatie, het beheren van 25% van de klantenportefeuille en het onderhouden van contact met klanten en leveranciers, het controleren van de administratie en jaarwerkdossiers van klanten en het indienen van belastingaangiften). Verweerder heeft er daarbij nog terecht op gewezen dat eiseres enkel op bruto maandlonen heeft gewezen, terwijl het voor de toepassing van artikel 12a van de Wet LB 1964 om jaarloon gaat, waarvoor meer looncomponenten van belang zijn (zoals vakantiegeld of een ter beschikking gestelde auto). 19. Hetgeen eiseres overigens nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De stelling dat zelfs als het (hogere) loon van [naam 4] als uitgangspunt zou worden genomen, eiseres voor de jaren 2021 en 2022 voldoet aan artikel 12a, tweede lid, van de Wet LB 1964 vanwege de doelmatigheidsmarge, gaat niet op. Het loon van [naam 4] mag immers niet worden gebruikt om het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking te bepalen, omdat [naam 4] een aanmerkelijk belang heeft in het administratiekantoor (artikel 12a,vijfde (in 2021 en 2022: zevende) lid, onderdeel c, van de Wet LB 1964). Verzuimboetes 20. Verweerder heeft ingevolge artikel 67c, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en paragraaf 24 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst voor ieder belastingjaar een verzuimboete opgelegd van 10% van de nog te betalen belasting. Bij het opleggen van een verzuimboete wordt geen onderscheid gemaakt in de mate van schuld of nalatigheid van een belanghebbende. Alleen in geval van een pleitbaar standpunt of afwezigheid van alle schuld (avas) dient oplegging van een boete achterwege te blijven. Eiseres heeft dergelijke omstandigheden niet aangedragen. De rechtbank acht de verzuimboetes dan ook passend en geboden. Rentebeschikkingen 21. Eiseres heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de rentebeschikkingen. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is niet gebleken. 22. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de beroepen ongegrond verklaard. 23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.G. Scholten, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Plukaard, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht). Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag. Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend. Verder vermeldt u ten minste het volgende: a. de naam en het adres van de indiener; b. de datum van verzending; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).